Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil heeft hij zich aan mogelijk verlies blootgesteld. Alleen het vredesverdrag kan de vervreemding bekrachtigen en een nieuwen deugdelijken rechtstitel schenkend-

Krijgsgevangenen, die op hun woord volkomen vrij zijn gelaten, kunnen, op grond van het recht van postliminium, van dat woord niet worden ontslagen 2).

Hier wordt bedoeld, dat een stad of een gewest, waarin zich zoodanige krijgsgevangenen bevinden, door den Souverein van deze genomen of hernomen wordt. Die gevangenen kunnen alsdan niet in hun vroegeren toestand worden hersteld, vermits de groote vrijheid, die hun te goeder trouw is verleend, om zich te begeven werwaarts zij verkozen, zelfs toeliet dat zy naar hunne vroegere woonplaats terugkeeren. Het moet dus als hun eigen vrije wil worden beschouwd, dat zij zich begeven hebben in plaatsen, die aan herovering blootstonden.

Krijgsgevangenen, die slechts hun woord hebben gegeven niet te ontvluchten, herkrijgen door het recht van postliminium hunne vrijheid, wanneer de oorlogspartij, waartoe zij behooren, zich van de hun aangewezen verblijfplaats meester maakt.

Zij verbreken hun woord niet. De vijand verliest door kracht van 'wapenen het recht, dat hij door de wapenen had verkregen.

Krijgsgevangenen, die door het verbreken van hun eerewoord hunne vrijheid herwonnen hebben, kunnen aan den vijand worden uitgeleverd.

Het recht van postliminium onderstelt eene eerlijke daad. Het erkent geen woordbreuk. Hoewel die breuk allermeest den vijandelijken Staat geldt, aan wien het woord werd verpand, is die daad zóó aanstootelijk, dat ook de Staat, tot wien de woordbreker behoort, gerechtigd is dezen te verloochenen en aan den vijand uitteleveren.

1) Vattel. III. 14, § 212. — Bluntschli, § 739. Zie ook blz. 119.

2) Idem, III, 14, § 211.

Sluiten