Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Staatscommissie voor het Wetboek van Strafrecht, die bjj de indiening van haar ontwerp tegelijk alle andere ontwerpen tot wijziging van de verschillende wetboeken, welke door de invoering van het nieuwe wetboek zou noodig worden, had voorgedragen, wenschte aan de hoven in plaats van de berechting van de misdaden op te dragen de berechting van alle misdrijven, waartegen eene gevangenisstraf van meer dan drie jaren was bedreigd. In verband daarmee was de door haar voorgedragen herziening van het Wetboek van Strafvordering eene zeer beperkte. Toen echter bjj de wet tot wijziging van de wet op de regterlijke organisatie alle misdrijven in eerste instantie aan de arrondissements-rechtbanken ter berechting werden opgedragen, moest de herziening van het Wetboek van Strafvordering een grooteren omvang krijgen.

Het eerste ontwerp voor die herziening werd door den minister Modderman bewerkt en den 24s>*n November 18S2 aan den Raad van State toegezonden. Het advies van den Raad verscheen na het aftreden van dezen minister en werd alzoo gesteld in handen van zijn opvolger, mr. du Tour van Bellinchave. Deze besprak dit advies in zijn rapport aan den Koning van 24 October 1883 en bracht in verband daarmeê enkele wijzigingen aan. Den 27sten October 1883 werd het ontwerp aan de Kamer ingediend, en nadat op voorstel van enkele leden, met eene wijziging in het Reglement van Orde, besloten was dit wetsontwerp op dezelfde wijze te behandelen als het ontwerp-strafwetboek, benoemde de voorzitter eene commissie van vijf rapporteurs en wel de heeren van Blom, Kist, A. Mackay, Ruys van Beerenbroek en van de Werk.

De ontbinding van de Kamer in het najaar van 1884 deed het ontwerp vervallen, doch spoedig werd het opnieuw ingediend (17 November 1884) en in handen van de vroegere commissie van rapporteurs gesteld, in wier midden echter de heeren Mackay en v. d. Werk vervangen werden door de heeren lluber en de Ranitz. De commissie, gepresideerd door den heer Kist, bracht een zeer uitvoerig rapport uit, waarin de antwoorden van den minister werden opgenomen en waaraan eene afzonderlijke nota van den heer Oldenhuis Gratama was toegevoegd, en formuleerde hare, van die van den minis-

Sluiten