Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter afwijkende denkbeelden in verschillende amendementen. I)e beraadslagingen in de Kamer werden gehouden van 13 tot 27 October onder de bekwame leiding van den heer Cremers en gaven vooral van de zijde van den minister blijk van veel zucht tot gemeen overleg. Het ontwerp werd ten slotte met algemeene stemmen aangenomen.

Hetzelfde gebeurde ook in de Eerste Kamer, nadat een rapport was uitgebracht door de heeren de Sitter, Tliooft, Pijnappel en Smitz, en zoowel daarin als bij de openbare beraadslagingen de aandacht was gevestigd op enkele onnauwkeurigheden, die spoedige wijziging vereischten. De minister beloofde daaromtrent nadere overweging en kwam aan de meeste der gemaakte bedenkingen tegemoet door de wijzigingen, alsnog in de wet aangebracht bij art. 8 der Invoeringswet (Wet van 15 April 1886 Stb. n°. 64).

De wet houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering is geworden de Wet van 15 Januari 1886 Stb. n°. 5. Ter uitvoering van art. 30 'dier Wet is het Wetboek van Strafvordering, samengevat in eene doorloopende reeks van Titels en artikelen, bij Besluit van 17 April 1886 in het Staatsblad geplaatst onder n°. 80 en ook opgenomen in de Staatscourant van 18 Mei 1886 n°. 116. In deze uitgave zijn de bij de Invoeringswet aangebrachte wijzigingen ingelascht.

Nog enkele wetten tot wijziging van het wetboek kwamen sinds dien tot stand. Zij zijn: 1°. de wet van 4 Juli 1887 Stb. n°. 111 tot wijziging van art. 385 van het Wetboek; 2°. de wet van 23 Juni 1889 Stb. nu. 83 tot aanvulling van de Vierde Afdeeling van den Eersten Titel; 3U. de wet van 15 April 1896 Stb. n°. 70 houdende regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken; 4°. de wet van 14 Juli 1899 Stb. n°. 159 tot wijziging van den Achttienden Titel van het Wetboek van Strafvordering, en 5°. de wet van 12 Februari 1901 Stb. n°. 63, houdende wijziging in de bepalingen betreffende het straffen en de strafrechtspleging ten aanzien van jeugdige personen, in werking getreden met 1 December 1905 krachtens K. B. van 25 October 1905 Stb. n°. 292. Vermelding verdient voorts, dat de artikelen 386 tot eu met 388, hoewel niet uitdrukkelijk ingetrokken, geacht kunnen worden te zijn

Sluiten