Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervallen, nu bij de herziening van de Grondwet in 1887 art. 152, waarmede deze artikelen in verband stonden, niet is behouden.

De inrichting, samenstelling en absolute bevoegdheid der verschillende rechterlijke colleges worden nog steeds geregeld door de wet van 18 April 1827 Stb. nu. 20 op de regterljjke organisatie en het beleid der justitie. De wijziging; der wet in haar geheel werd dikwijls beproefd doch steeds te vergeefs.

Het Ontwerp-Godcfroi. in 1860 ingediend, werd wel tot wet verheven (31 Mei 1861 Stb. n°. 49) maar nooit ingevoerd en in 1870 voor goed terzijde gesteld. Een ontwerp, door den minister de Vries ingediend, werd in de Tweede Kamer bij de eindstemming met eene kleine meerderheid verworpen '). Na dien ongelukkigen uitslag werd eene nieuwe poging tot eene algeheele herziening niet meer beproefd.

De minister van Lijnden bepaalde zich tot belangriike partiëcle wjizigingen , welke hoofdzakeljjk ten doel hadden het aantal rechterljjke colleges (hoven en rechtbanken) te verminderen en daartegenover de bezoldiging der rechters te verhoogen. Zie de wetten van 10 November 1875 en van 9 April 1877. Eene nieuwe wijziging was noodig in verband met de invoering van het wetboek van strafrecht en werd tot stand gebracht bij de wet van 26 April 1884 Stb. nu. 92. De hoofdstrekking van deze wet was om, in verband met de vervanging van de drieledige verdeeling der strafbare feiten door eene tweeledige, de bevoegdheid der rechtbanken uit te breiden tot de berechting van alle strafbare feiten, welke niet tot de competentie van de kantonrechters werden gebracht. De vijf gerechtshoven, welke de wet van 10 November 1875 had ingesteld, bleven in strafzaken alleen met rechtspraak in hooger beroep belast.

§ 2. Algemeene beginselen van het Wetboek van Strafvordering.

Het wetboek van strafvordering bevat het zoogenaamde formeele strafrecht. Terwijl in het wetboek van strafrecht het

') Zie over de geschiedenis van deze en vroegere ontwerpen de Pinto, Handl. tot de Wet op de Regterl. Org., Eerste Gedeelte, bl. 20—27,

Sluiten