Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 4. Van de absolute bevoegdheid.'

Het hoofdbeginsel, dat de regeling der absolute bevoegdheid beheersclit na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, hangt samen met de in dat wetboek aangenomen onderscheiding tusschen misdrijven en overtredingen. De eerste zijn als regel ter berechting opgedragen aan de arrondissements-rechtbanken, de tweede aan de kantongerechten (artt. 56 en 44 R. O.). Wat de misdrijven betreft is hiervan slechts uitgezonderd het misdrijf van eenvoudige strooperij, omschreven in art. 314 Strafw., dat gebracht is tot de competentie van den kantonrechter; van de overtredingen zijn bedelarij en landlooperij, strafbaar gesteld in de artikelen 432 en 433 Sw., en voorts alle overtredingen ter zake van belastingen ') ter berechting gegeven aan de rechtbanken. Deze zijn voorts volgens art. 218 Sv. ook bevoegd te oordeelen over een bij haar aangebracht strafbaar feit, dat zjj als overtreding beschouwen, indien de beklaagde de verwijzing niet heeft gevraagd.

De gerechtshoven oordeelen thans, behalve in de later te behandelen, uiterst zeldzame jurisdictiegeschillen, uitsluitend in hooger beroep; daarentegen zijn aan den Hoogen Raad volgens art. 93 R. O. in eerste instantie onderworpen de misdrijven, bedoeld in de artt. 381—385 en in de artt. 388 en 389 van het Wetboek van Strafrecht (zeeroof en aan-

') De feiten, strafbaar krachtens de bij art. 7 der Invoeringswet gehandhaafde bepalingen in wetten rakende zaken van rijksbelastingen, worden volgens het laatste lid van dat artikel als misdrijven beschouwd en behooren dus van zelf tot de bevoegdheid der rechtbank. De in art. 56 R. O. bedoelde overtredingen betreffen dus allereerst de provinciale en gemeentelijke belastingen, art. 28 der Invoeringswet. Voorts behooren daartoe thans de strafbare feiten, omschreven in de §§ 3-7 van art. 47 der wet van 2 October 1893 Stb. u». 149 tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, en de feiten, strafbaar volgens de wet van 16 April 1896 Stb. n". 72 tot regeling der personeele belasting; vgl. art. 48 lid 2 der eerstgenoemde en art. 73^ der tweede wet. Bij art. 88 der wet van 27 September 1892 Stbl. n . 227, houdende bepalingen omtrent den accijns op het zout, art. 91 der suikerwet (wet van 29 Januari 1897 (Stb. n«. 63) en art. 3 der wet van 31 December 1898 Stb. n°. 286, houdende nadere bepalingen omtrent den accijns op gedistilleerd, zijn de in die wetten strafbaar gestelde feiten verklaard tot misdrijven. Men zie daaromtrent: Het fiscale strafrecht en de fiscale strafactie van J. F. van N ieu wk uy k, bl. 22-24 en 54- 63.

2

Sluiten