Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. M. en mag niet zonder een zoodanig requisitoir eene strafvervolging beginnen. Daartegenover heeft het O. M. ook niet meer dan de bevoegdheid om eene vervolging uit te lokken en rechtsmaatregelen te requireeren; het nemen dier maatregelen is hun slechts ingeval van heeter daad, en dan nog alleen wanneer de rechter-commissaris niet tegenwoordig is, toegestaan.

Het initiatief van de strafvervolging is alzoo geheel gelegd in handen van het O. M. Is nu echter het O. M. te onzent steeds verplicht om eene strafvervolging in te stellen of is het gerechtigd, ook al is er vermoeden dat een misdrijf is gepleegd, toch om eenige reden van maatschappelijk belang de vervolging achterwege te laten? In het eerste geval spreekt men van het legaliteitsbeginsel, in het tweede van het opportuniteitsbeginsel '). Het Duitsche recht huldigt thans uitdrukkelijk het eerste in § 152 der Strafprozessordnung; in onze wet is de vraag niet uitdrukkelijk beslist, doch algemeen wordt zij in den zin van het opportuniteitsbeginsel beantwoord, welk antwoord door den geest en de geschiedenis onzer wet wordt gerechtvaardigd. De bij het opportuniteitsbeginsel aan het O. M. ingeruimde bevoegdheid moet bij de zich steeds uitbreidende strafwetgeving als een noodzakelijke waarborg tegen te veel strafvervolgingen worden aangemerkt2). Ook in Duitschland wordt dit thans vrij algemeen erkend 3). Tegen een willekeurig niet vervolgen van het O. M. vindt men bescherming in de ondergeschiktheid van de leden van het O. M. aan den Minister

Strafprozessordnung. Zie over dit onderwerp de literatuur vermeld in Binding'» Grundriss, §56, in het bijzonder Carl Kade, Die Privatklage in den Strafprozessordnungen der Jetzzeit insbesondere in der Deutschen R. Str. Pr. O., en Garraud, t. a. p. I bl. 163—171.

') Glaser, Handbuch des Strafprozesses, dl. 1 bl. 218 vlgg.

') Zie over dit punt mr. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 72 en de belangrijke aanteekening aldaar van mr. A. A. de Pinto; voorts het op de vorige bladzijde geciteerde proefschrift van mr. W. Boot, bl. 1—10; D. J. Mom Visch, Over en naar aanleiding van een standaardwerk, Rechtsgel. Magazijn, dl. 6 bl. 169 en mr. E. Bergsma, T. v. Str., III 248.

3) Men vgl. te dien aanzien de voorstellen van de Kommission fiir die Reform des Strafprozesses tot beperking van het legaliteitsbeginsel, Protokolle I bl. 135 vlg. en II bl. 37 vlgg. en de artikelen over dit onderwerp in „Reform des Strafprozesses", herausgegeben von Dr. P. F. Aschrott, bl. 148, 162 en 202.

Sluiten