Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het door den Minister van der Kaay in 1896 voorgedrage ontwerp tot wijziging van verschillende bepalingen van ht Wetboek van Strafvordering werd ook voorgesteld aan de raadsman het recht toe te kennen met den beklaagde brieve te wisselen, zonder dat van hun inhoud vooraf wordt kenni genomen. Door intrekking van dit ontwerp bleef echter oo! op dit punt ons wetboek tot dusver ongewijzigd./£;

De werkzaamheden van den raadsman bestaan in hoofdzaal in de verdediging van den beklaagde ter terechtzitting. Hi wordt daar niet alleen geacht den beklaagde terzjjde te staai en in zijne belangen te vertegenwoordigen, doch hij neem ook eene meer zelfstandige positie in, hetgeen daaruit blijkt, da hij bevoegd is in eigen naam eenig verzoek of verzet te doen waartoe de wet aan den beklaagde het recht geeft, art. 199 Hij is dus gerechtigd, wanneer hij eenig verzoek in het belan" van den beklaagde acht, dit te doen zelfs tegen diens wif al zal hij daartoe uit den aard der zaak slechts uiterst zelden overgaan. Hij blijft met de verdediging belast ook dan wan. neer het noodzakelijk mocht blijken den beklaagde zelf uit de zaal te verwijderen (art. 179), en hij is evenals de beklaagde bevoegd den getuigen en deskundigen vragen te stellen, doch ook slechts door tusschenkomst van den president, tenzjj de rechtbank het anders toestaat, art. 169 lid 3 ')• Voorts geeft de wet aan den raadsman de bevoegdheid namens den" beklaagde hooger beroep of cassatie aan te teekenen (artt. 230 en 355 Strafv.).

De reeds vroeger voorgekomen en te onzent ontkennend beantwoorde vraag 2), of een als getuige gedagvaarde advocaat in dezelfde zaak als raadsman mag optreden werd, naar het

Vgl ook het academisch proefschrift van H. G. van der Vies, De positie van den verdedlger in strafzaken volgens Nederlandsch recht, bl. 77 en 78. o,o g omtrent de geschiedenis van dit voorschrift, Smidt, I 251 en 272-274 en mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v Sv , II bl. 117 naar wiens treffende kritiek van deze bepaling, welke slechts uit wantrouwen tegenover de balie kan worden verklaard, ik met volkomen instemming blijf verwijzen. Zie ook mr. v. d. Vies, t. a d. bl. 107 vlo- Hot ,n«™.

j » -• — y» viK. x.iet AUUiic-

naamde directe vraagrecht van den verdediger is o. a. erkend in 8 239 "ltsDche en ln § 249 der Oostenrijksche Strafprozessordnung. H. R. 4 Januari 1870; W. 3176. Vgl. Hulshoff, aant. ad art. 133.

4

Sluiten