Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrapt en de regeling dezer materie aan de balie zelf werd overgelaten. De Commissie van Rapporteurs koos tusschen die beide stelsels een middenweg. Volgens haar zou de ambtshalve verdediging slechts geschieden bij die misdrijven, waarbij volgens art. 86 voorloopige gevangenneming was toegelaten, doch alleen dan, wanneer er eene instructie in de zaak had plaats «revonden, Ook in die gevallen echter zou de toevoeging niet verplichtend zijn, doch afhangen van het oordeel der rechtbank, die alleen dan zou behoeven toe te voegen, wanneer zij meende, dat eene verdediging niet behoorde te ontbreken, en de beklaagde onvermogend was om de kosten daarvan te dragen.

Op eene geheel andere gedachte dan deze drie stelsels rustte het systeem, door den heer Mackay geformuleerd in een door hem voorgedragen amendement en ten slotte door de Tweede Kamer aangenomen. Daarbij werd niet voor eene zekere categorie van misdrijven of onder zekere omstandigheden eene verdediging voor noodzakelijk verklaard, maar alleen gewaakt dat de beklaagde een verdediger zou hebben, wanneer hij daarvoor zelf, doordat hij zich in preventieve hechtenis bevond, niet kon zorg dragen. Het eenvoudige beginsel werd dus: toevoeging indien de beklaagde voor een misdrijf terecht moest staan en zich te dier zake bij de verwijzing naar de terechtzitting in preventieve hechtenis bevond en werd gehouden of indien daarbij zijne gevangenneming werd bevolen. Aldus bleef de vraag der ambtshalve verdediging geheel onafhankelijk van het gewicht der zaak en verkreeg de toevoeging meer het karakter van eene gunst aan den beklaagde dan van een maatregel in het belang eener goede rechtspleging. Dat in vele gevallen, waarin preventieve hechtenis wordt toegepast, de verdediger met het oog op het belang en den aard der zaak veilig zou kunnen wordeu gemist, en in andere, waarin de beklaagde in vrijheid is, die verdediging daarentegen van het hoogste belang kan zijn, lag voor de hand en de waarheid van dit dubbele bezwaar is dan ook door de praktijk volkomen bewezen ').

') Over de geschiedenis der tegenwoordige regeling zie men Smidt, I 241 en 421—423, terwijl men over de beginselen, die aan de rege¬

ling behooren ten grondslag te liggen, en over de voor- en nadeelen van het

Sluiten