Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klacht moet geschieden. Volgens art. 13 kan do klacht geschieden mondeling of schriftelijk, hetzij door den tot de klacht bevoegden persoon hetzij door een ander, daartoe van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De schriftelijke klacht moet door den klager of door zijn gevolmachtigde, die dan zjjne volmacht moet overleggen, worden onderteekend, terwijl indien de klacht mondeling geschiedt, zij door den ambtenaar die haar ontvangt in geschrift gesteld moet worden en na voorlezing door hem met den klager of diens gevolmachtigde onderteekend '). Kan de klager niet teekenen, dan wordt de reden van het beletsel vermeld. De schriftelijke volmacht of, zoo zjj door een notaris in minuut is verledeu, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte vastgehecht. Deze akte behoeft om als bewjjs te gelden, dat de klacht gedaan is, niet op den ambtseed te worden opgemaakt; art. 401 Sv. toch is hier niet van toepassing2). De bij art. 13 voorgeschreven vormen moeten op straffe van nietigheid worden nagekomen. Onder die vormen behoort ook, dat de klacht voor de onderteekening is voorgelezen. Blijkt daarvan uit de inscliriftstelliug niet, dan moet het als niet geschied worden beschouwd en is dus de klacht nietig 3).

In enkele gevallen heeft het openbaar ministerie eene bijzondere machtiging noodig om eene vervolging te mogen inr stellen. Voor de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen, gepleegd door de in art. 92 der wet op de Rcgterl. Organisatie genoemde ambtenaren, welke geschiedt door den procureur-generaal bij den Hoogen Raad, heeft deze noodig of den last van den Koning "of dien van de Tweedt Kamer der Staten-Generaal, gegeven volgens de artt. 4 —19 der wet van 22 April 1855 Stb. n°. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der ministeriëele departementen 4). Voor eene vervolging krachtens art. 9 der wet van 10 September

') Vgl. H. R. 15 October 1906; W. 8443; P. v. J. n°. 596. li Fu-.'// - fi-Jtil. ») Hof Amsterdam, 28 Februari 1899; W. 7278.

3) Anders H. R. 16 Januari 1893; W. 6292; P. v J. n°. 20. Zie verder de jurisprudentie bij Hulshoff, aant. 5 ad art. 13.

*) De bepaling van art. 301 lid 2, waarbij aan de artt. 4-19 der wet van 1855 eene zooveel ruimere toepassing wordt gegeven, vindt terecht bestrijding bij mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., 11 bl. 432.

Sluiten