Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts in enkele gevallen ') — wordt dun geschorst, totdat bjj gewijsde onherroepeljjk over het te laste gelegde feit is beslist. Eene gelijke schorsing kan worden uitgesproken, indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt en de rechtbank dienaangaande een onderzoek beveelt — art. 174 Sv. De zaak wordt dan, zoo noodig, tot na afloop van dat onderzoek aangehouden.

§ 4. Debeteekening van dagvaardingen en stukken.

De artt. 7 en 144 Wetb. van Strafv. regelen de beteekening van in het strafproces te pas komende dagvaardingen of andere exploiten. Het eerste artikel bepaalt, dat de beteekening zal moeten geschieden of op last van het O. M. of op die van andere bij de wet gemachtigde ambtenaren — art. 141, 2° — en dan door een deurwaarder of een dienaar van de openbare macht.

Door deze bepaling werd de mogelijkheid geopend, om de exploiten in strafzaken door rijksveldwachters te doen beteekenen en bij eene circulaire van 2 October 1886, opgenomen in het W. v. h. R. n°. 5331, werd dan ook door den minister van justitie de wenschelijkheid uitgesproken, dat dit voortaan zooveel mogelijk zou geschieden. Sinds dien tijd worden de meeste exploiten in strafzaken door de rijksveldwachters uitgebracht.

De wijze, waarop de beteekening moet geschieden, wordt geregeld in art. 144'). Zij moet geschieden, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, aan hem in persoon en zoo hjj in vrijheid is, hetzij aan zijn persoon hetzjj aan zijne woonplaats. Heeft de beklaagde hier geene bekende woonplaats,

zelfde zaak betrekkelijk arrest van het Hof te 'sGravenhage vau 14 Juni 1888; P. v. J. 1888 n°. 77. Vgl. Leerboek, II bl. S* en noot 4.

') Leerboek, II bl. 5f noot ^

2) Indien de minderjarige verdachte of beklaagde den leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, geschiedt de beteekening op de bij art. 61 lid 5 bepaalde wijze. Zie daaromtrent hiernu in de Vijfde afdeeling.

Sluiten