Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lonze wet te vinden in de artikelen 397 en 399. 400, 401, 403, 404, 408 en 409. Omtrent de noodzakelijkheid van bepalingen van de eerste soort bestaat geen verschil van gevoelen '); evenzeer mag worden aangenomen, dat de meeste der zoo even in de laatste plaats geciteerde bepalingen weinig verdediging meer vinden 2). Jlet groote verschil van gevoelen loopt over de bepalingen van de tweede soort, en het is meer in het bijzonder over de vraag, of en in hoeverre deze moeten worden behouden, dat de strijd in ons land is gevoerd.-^";

De in onze wet gehuldigde bewijstheorie is de zoogenaamde „negatieve wettelijke", reeds zoo straks met een enkel woord ontwikkeld. Het grondbeginsel, waarop zjj steunt, wordt omschreven in art. 391. „Niemand", zoo wordt daar geleerd, „kan wegens misdrijf of overtreding worden veroordeeld, ten zij de regter door wettige bewijsmiddelen, de overtuiging hebbe bekomen, dat een strafbaar feit werkelijk heeft plaats gehad, en dat de beklaagde daaraan schuldig is". In deze bepaling vinden wij nu de twee beginselen terug, waarop de negatieve bewijstheorie rust, en die aldus kunnen worden geformuleerd: 1°. geene veroordeeling, zoolang de rechter de ovcrtuiging niet heeft verkregen, dat de beklaagde schuldig is aan het hem te laste gelegde feit, een beginsel ook nog in art. 395 uitgesproken; 2°. de rechterlijke overtuiging moet verkregen zijn door wettige bewijsmiddelen en rusten op volgens door de wet gestelde regels verkregen bewijsgronden 3)/Elke veroordeeling moet dus te onzent steunen op den dubbelen grondslag van wettig en van overtuigend bewijs en naar de bedoeling der wet pioet het laatste uit het eerste voortvloeien. Wettig en overtuigend bewijs staan niet onafhankelijk tegenover elkander; de rechter moet niet, na het wettig bewjjs te hebben geconstrueerd, geheel vrij, zonder op het aldus verworven resultaat te letten, zich de vraag gaan stellen: ben ik overtuigd dat

l) Modderman, t. a. p. bl. 170.

5) Mr. A. A. de Pinto, t. a. p. bl. 635 en 836.

3) De in de wet gestelde bewijsregels gelden niet voor het aannemen van de strafbaarheid opheffende omstandigheden en evenmin bij de wederlegging der door den beklaagde aangevoerde verdediging. Vgl. de rechtspraak geciteerd bij Hulshoff, aant. 6 ad art. 391.

Sluiten