Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke wijze nu echter die noodzakelijkheid moge blijken, dit zal zonder invloed zijn op het feit, dat de rechter, als van haar bestaan is gebleken, verplicht is haar in aanmerking te nemen.

De wetgever noemt in art 892 een viertal bewjjsmiddelen en wel: bewijs door getuigen, schriftelijke bescheiden, bekentenis en aanwijzingen. Het kan worden betwjjfeld, of deze laatste als een zelfstandig bewijsmiddel kunnen worden beschouwd en niet veeleer als bewijsgronden moeten gelden, wier bestaan door de andere in de wet genoemde bewijsmiddelen moet worden bewezen, en waaruit bjj redeneering het bewijs voor hetgeen bij dagvaarding wordt gesteld kan worden afgeleid '). De wet zelf noemt als bron, waaruit die aanwijzingen voortvloeien, een viertal bewijsmiddelen en daaronder ook persoonljjk onderzoek of bezichtiging door den rechter, een middel van bewijs, dat alzoo ten onrechte in art. 392 is weggelaten2), waarschijnlijk omdat daarmede niet anders dan bij uitzondering een direct bewijs voor het misdrijf kan worden geleverd/ïn geval de bijgebrachte bewijsmiddelen verklaringen inhouden over het plegen van het misdrijf zelf en langs dezen weg het bewijs wordt geconstrueerd, spreekt men van direct bewijs: indirect bewijs noemt men, wanneer uit andere feiten bij redeneering het bewijs voor het te laste gelegde wordt afgeleid en dus het bewjjs door middel van aanwijzingen wordt

saaingesteld '). Veelal bestaat de bewijsvoering uit eene ver-

eeniging van direct en indirect bewijs *).

§ 2. Van de bewijsmiddelen in het bijzonder. Het eerste der in de wet genoèmde bewijsmiddelen, voor

1) Pols, t. a. p. bl. 60; A. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 662 noot a en Het herziene W. v. Sv., II bl. 546; üeyer, t. a. p. bl. 221. Anders Birkmeyer, Deutsches Strafpiozessrecht, bl. 405.

2) de Bosch Kemper, Strafv., III bl. 513.

3) Zie daaromtrent Geyer, t. a. p. bl. 210; Glaser, Handbuch des Strafprozesses, I bl. 368.

4) Volgens den H. R, is de rechter bij de motiveering van zijn vonnis niet verplicht aan te geven, in hoeverre het bewijs is geleverd door rechtstreeksch bewijs of door aanwijzingen. Zie o. a. 5 Maart 1900; W. 7406 en 26 Juni 1905; W. 8256; P. v. J. n°. 477. I >J

Sluiten