Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ontleding eene groote uitvoerigheid zouden vereischen en dus hier niet kannen geschieden ')./

Eindelijk geeft de wet in art. 399 eene opsomming van omstandigheden, waarop de rechter heeft te letten bij de waardeering van de door hem aan de afgelegde verklaring toe te kennen bewijskracht. Deze bepaling is echter niet meer dan eene aanbeveling van den wetgever aan den rechter en mist noodwendig elke meerdere sanctie dan die gelegen moet zijn in de onpartijdigheid, de bekwaamheid en de objectiviteit van den rechter zelf. Het voorschrift van art. 399 ontsnapt dan ook uit den aard der zaak aan alle controle van den rechter in cassatie2). Niet geheel onvermeld mogen hier blijven de in den laatsten tijd ingestelde wetenschappelijke onderzoekingen omtrent de meerdere of mindere betrouwbaarheid van getuigenverklaringen 3). De voorloopige uitkomsten geven zeker recht er op te wijzen, dat ook de verklaringen van volkomen te goeder trouw zijnde getuigen dikwijls niet onbelangrijk van de waarheid afwijken. Voorzichtigheid bij de waardeering van

het getuigenbewijs is dus een dringend vereischte.

Bij de behandeling der bewijskracht, aan schriftelijke be¬

scheiden in het strafproces toe te kennen, verwijst de wetgever in art. 400 naar de daaromtrent voor het burgerlijk proces gestelde regelen. De kracht^ en de omvang van het bewijs van authentieke en onderhandsche geschriften moetenv worden beoordeeld naar de voorschriften in de artt. 1904 vlgg. van het Burgerlijk Wetboek opgenomen, waarbij echter met het verschil tusschen het burgerlijk en strafproces zal behooren

•) Zie over enkele arresten mijne beschouwingen in het opstel in T. v. Str., XII 397 vlgg. De rechtspraak van den H. R. uit de latere jaren is te vinden bij Hulshoff, aantt. 1—71 ad art. 398. De leer van den H. R. komt hierop neer, dat verklaringen, die op eigen waarneming berusten kunnen, als wettig bewijs mogen worden gebruikt. Vgl. o a. de arresten van 31 December 1906; W. 8484 en 8485.

*) Léon, aant. 3 ad art. 435 en Hulshoff, aant. 1—3 ad art. 399. Zie o. &. arrest van 10 October 1904; W. 8123; P. v. J. n°. 382. tv ^wir*

3) Vgl. L. William Stern in Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenechaft, dl. 22 bl. 315 vlgg., voorts het door Stern uitgegeven tijdschrift „Beitrage zur Psychologie der Aussage", de overzichten van Schott en Gmelin in Juristisch-psycbiatrische Grenzfragen, Dritter Band Heft 6/7, en Garraud , t. a. p. bl. 546—553.

Sluiten