Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

392 niet vermeld, kent de wet volgens art. 407 n°. 3, het persoonlek onderzoek of de bezichtiging bij den rechter gedaan. Dit onderzoek of die bezichtiging zal ter terechtzitting moeten geschieden en kan slechts als indirect bewijs in aanmerking komen. Niet het misdrjjf zelf maar slechts feiten, die als aanwijzingen het plegen en het bestaan van het misdrijf aantoonen, kunnen op deze wijze worden bewezen ').

De wet noemt in de laatste plaats, doch naar wij reeds zagen ten onrechte, ook de aanwijzingen onder de bewijsmiddelen op. Deze zijn: feiten en omstandigheden, bewezen door een der reeds vroeger vermelde bewijsmiddelen, en die, hetzij in onderling verband en samenhang, zooals de term luidt, hetzij in vereeniging met eenig direct bewijsmiddel, do conclusie wettigen, dat het misdrjjf is gepleegd en de beklaagde daaraan schuldig is. De bewijsmiddelen, waardoor het bewijs van aanwijzingen mag worden geleverd, worden in art. 407 limitatief opgesomd; daaruit volgt, dat eene aanwijzing niet door eene andere aanwijzing kan worden bewezen 3). De wet laat geheel in het midden welke omstandigheden als aanwijzingen kunnen gelden, en zoowel volgens art. 408 als volgens de te dien aanzien volkomen vaststaande jurisprudentie, blijft mèt deze vraag ook de bepaling van de kracht van iedere aanwijzing geheel aan het oordeel van den judex facti overgelaten 3). Slechts in één opzicht heeft de Hooge Raad aan diens vrije appreciatie eene beperking gesteld door de beslissing , dat de ontkentenis door den beklaagde van eenig langs anderen weg gebleken feit niet als aanwijzing mag gelden 4).

l) Vgl. over den omvang van dit bewijs de Pinto, t. a. p. bl. 668 en mr. A. A. de Pinto, t. z. p. noot a; voorts o. a. H. R. 30 Januari 1905; W. 8174. /i/ f 2 > V.

') Zie Hulshoff, aant. 12 ad art. 407 en H. R. 8 Januari 1906; W. 8322; P. v. J. n°. 507 en 2 April 1907; W. 8518.^ (P&ktf '«/r,

3) Léon, aant. 1 en vlg. ad art. 444. Onder de latere arresten 25 Juni 1906; W. 8396 en 2 Öctober 1906; W. 8433.

4) Arresten van 30 Maart 1885; W. 5156, .29 Juni 1885; W. 5196, 27 , Februari 1888; W. 5522 en 24 October 1892; W. 6258. Vgl. mr. A. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 667 noot; mr. A. Prins, Het begrip aanwijzing naar de leer van den Hoogen Raad, bl. 70 vlgg. en tegen de leer van den H. R. mr. H, v. Manen in W. n°, 5209, Die leer werd omhelsd door Gerechtshof

/f*-/ £/$ ff " f| i) n"^| | ^

Sluiten