Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de eerste vraag zal, dunkt mij, ontkennend moeten luiden ')./" Daarentegen meen ik, dat zoowel het verband tusschen de artt. 111 en 110 als de geschiedenis van art. 111 de conclusie wettigen, dat papieronderzoek ook teu huize van derden in onze wet wel is toegelaten 2).

De huiszoeking zal moeten geschieden door den rechter-» commissaris, die zich kan doen vervangen door dei. kantonrechter, in tegenwoordigheid van den officier van justitie of bij diens ontstentenis van den burgemeester. Geldt het onderzoek de papieren of boeken van den beklaagde, dan zal hij daarbij in persoon of bij een gemachtigde kunnen tegenwoordig zijn, in welk geval het op te maken proces-verbaal door den tegenwoordig zijnde beklaagde of zjjn gemachtigde zal worden inede-onderteekend terwijl, indien hij dit weigert, van die weigering zal worden melding gemaakt. Het proces-verbaal zal worden opgemaakt door den ambtenaar, die de huiszoeking doet, en de gevonden voorwerpen en papieren, waarvan het bezit voor de justitie gewenscht is, zullen door hem onder zich genomen worden. De door hem in beslag genomen voorwerpen zullen besloten en verzegeld worden in eenen omslag, waarop zal worden gesteld de behoorlijke aanteekening van den dag, waarop de inbeslagneming plaats vond. Zjjn de voorwerpen voor zulk eene behandeling niet geschikt, dan zal bedoelde aanteekening op een aan te hechten strook worden gesteld. Deze in de artt. 47 en 49 gegeven voorschriften

») Aldus ook mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv, I bl. 423. Van een ander gevoelen mr. Kist, blijkens zijne beschouwingen over een door mr. v. Gennep voorgesteld amendement, om art. 110 te beperken tot de gevallen bij art. 86 vermeld, een amendement dat met groote meerderheid werd verworpen. Vgl. Smidt, I 369—381 en speciaal bl. 372. Zie ook mr. N. A. Mensing van Charante Jr., Het recht van inbeslagneming bij strafbare feiten, bl. 61—63, Het verlof tot huiszoeking mag niet gegeven worden in verband met eene in het buitenland hangende strafzaak; H. R. 18 November 1901; W. 7690; P. v. J. 1902, n°. 102 en Hulshoff, aant. 2 ad art. 111.' f /. /, , 44 , < (. • .1

*) Vgl. mijn advies voor de Juristen-Vereeniging, Handel. 1888,-1 bl. 331 vlg., waar ook de schrijvers pro en contra worden vermeld, en Hulshoff, ad art. 111. Voor het papieronderzoek bij derden ook prof. Pols, t. a. p. bl. 82.

Sluiten