Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

commissaris ook moeten in beslag nemen de wapenen en al hetgeen tot het plegen van het strafbaar feit blijkt of schijnt gediend te hebben of bestemd te zijn geweest, geljjk ook alles wat dienen kan om de waarheid aan den dag te brengen. Bij deze bepaling der wet wordt dus ondersteld, dat do inbeslagneming plaats heeft zonder dat eene voorafgaande huiszoeking noodig is. De in beslag genomen voorwerpen zullen aan den verdachte worden vertoond, die zal worden aangemaand zich over deze te verklaren. Van een en ander zal een door den verdachte mede te onderteekenen proces-verbaal worden opgemaakt. Weigert de verdachte te teekenen, dan zal die weigering worden vermeld.

Eene bijzondere wijze van huiszoeking wordt nog geregeld en toegelaten voor alle gevallen van ontdekking op heeter daad in art. 42 lid 2. Het hier toegelaten onderzoek mag alleen ten doel hebben nasporing en inbeslagneming — de wet spreekt van „in bewarende hand stellen" — van weggenomen goederen en kan geschieden door de tot aanhouding bevoegde ambtenaren. Zjj zullen voor het doen hunner nasporing, huizen, werkplaatsen, getimmerten en de daaraan belendende omschutte en omheinde plaatsen niet mogen binnentreden dan in het bijzijn van den kantonrechter, den commissaris van politie of den burgemeester der gemeente '). Het op te maken proces-verbaal zal alsdan door dezen ambtenaar moeten worden mede-onderteekend.

Over de inbeslagneming van aan de post toevertrouwde stukken en brieven wordt in ons wetboek geheel gezwegen, hoewel art. 159 der Grondwet en de wet tot regeling der brievenposterij 2) alsmede art. 371 Wetb. v. Strafr. eene regeling van dit onderwerp onderstellen en noodzakelijk maken 3).

') Is de opsporende ambtenaar zelf een dezer drie ambtenaren, dan zal de tegenwoordigheid van een ander van deze worden vereischt. Aldus de Pinto, t. a. p. bl. 110. Anders mr. G. A. v. Hamel, T. v. Str., I 282 noot 1.

s) Zie thans art. 23 lid 2 der wet van 15 April 1891, Stb. n°. 87. De regeling gegeven in art. 28 dier wet is alleen van toepassing bij vermoedelijke overtreding dier wet zelf.

3) Smidt, Geschiedenis Wetb. v. Strafr., III 87 en 88, Geschiedenis van het Wetb. v. Strafv., I 369.

Sluiten