Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

utramque partem veel besproken vraag ') hangt allereerst daarvan af, of art. 45 alleen van toepassing mag worden geacht, indien volgens art. 43 lid 2 eene zoogenaamde descente plaats vindt. Is dit werkelijk het geval, dan is natuurlijk een bevel van gevangenneming door den officier niet mogelijk in die gevallen, bij art. 45 j° art. 86 bedoeld, waarin volgens art. 43 eene descente niet mag plaats vinden. Tntusschen, al erken ik gaarne, dat bij de beraadslagingen in de Staten-Generaal op dat verband tusschen de bevoegdheid van art. 45 en de descente herhaaldelijk is gewezen, ik geloof niet dat de woorden der wet de aanneming van dit verband noodzakelijk vorderen. Terecht toch is opgemerkt, dat art. 45 wel gesubordineerd is aan het eerste lid van art. 43 maar niet aan het tweede lid, waarin slechts eene der bevoegdheden is omschreven, die de officier in het geval van het eerste lid heeft. Is dit juist, dan blijft er wel strijd bestaan tusschen art. 43 lid 1 en art. 45, maar dan geloof ik, dat door de ruimere omschrijving, met zooveel woorden in art. 45 der wet gegeven, de beperktere bepaling van art. 43 hare kracht verliest, zoodat, zooals de redactie thans luidt, art. 45 niet na maar vóór art. 43 zijn plaats had moeten vinden. Wat te dien opzichte de bedoeling van den wetgever is geweest is niet gemakkelijk te zeggen. Het p rtinente antwoord: „Neen, mijnheer de Voorzitter", door mr. Kist aan den Voorzitter der Kamer gegeven, toen deze vroeg, of de wijziging in art. 43 ook niet die van art. 45 moest ten gevolge hebben, staat lijnrecht tegenover de niet minder besliste uitspraak van den minister in de Eerste Kamer 2).

') voor eene ruime opvatting van het artikel verklaarden zich het hof te Amsterdam bij arrest van 17 September 1886; W. 5327, prof. H. v. d. Hoeven in W. 5205 en T. v. Str„ I bl. 346-350 en 514-522, het O. M. bij het Hof te Amsterdam en bij den H. R., W. 5327 en 5379, mr. E. Bergsma, T. v. Str., 11 bl. 97 — 114 en mr. H. Okma in zijn academisch proefschrift „Iets over de in art. 45 Wetb. v. Strafv. aan den officier van justitie verleende bevoegdheid", Groningen 1897. In anderen zin Rb. Amsterdam bij vonnis van 10 Sept 1886 ; W. 5327, H. R. bij arrest van 13 December 1886; W. 5379, mr. A. A. de Pinto, Het herziene W". v Sv., I bl. 228—232, 484-490 en II bl. 662—672 en mr. v. Ittersum. T. v. Str., I bl. 185—192. Vgl. de aanteekening ad artikel bij Hulsboff.

*) Smidt, I 133, 139 en 141.

Sluiten