Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij die tegenstrijdigheid zal men het best doen zich aan de op zich zelf duidelijke woorden van art. 45 te houden.

Alle bevelen van voorloopige aanhouding, door hof of rechtbank, door den officier van justitie of den rechter-commissaris uitgevaardigd, zjjn volgens art. 54 lid 1 in verband met art. 79 lid 3, art. 80 lid 3, art. 98 lid 2, art. 104 lid 2 en art. 175 lid 3 jis- art. 196 lid 3 en art. 197 lid 2, slechts gedurende zes dagen van kracht en moeten dus binnen dien tijd aan het oordeel der rechtbank worden onderworpen. Als regel geldt, dat de rechtbank het bevel slechts kan instandhouden en de preventieve hechtenis laten voortbestaan, wanneer zij tegelijkertijd volgens art. 85 een vonnis van rechtsingang kan wijzen '). Bestaan daartoe echter nog geen voldoende gronden, dan kan zij het bevel eenmaal voor zes dagen verlengen, maar moet dan ook binnen dien tweeden termijn eene nieuwe beslissing geven. De tweede maal mag zonder verband met een vonnis van rechtsingang eene verlenging der preventieve hechtenis niet worden toegestaan. Is niet binnen zes dagen na de dagteekening van het eerste bevel tot aanhouding, hetzij de verlenging toegestaan, hetzij gevangenhouding krachtens art. 85 bevolen, of is ingeval van verlenging niet binnen den daarvoor gestelden termijn een bevel van gevangenhouding gegeven, dan is de aangehoudene van rechtswege vrij. De cipier van de gevangenis zal verplicht zijn den aangehoudene onmiddellijk in vrijheid te stellen, zonder dat daartoe een bevelschrift, als waarop art. 383 doelt, zal noodig zijn2).

De bevelen van gevangenneming of gevangenhouding, welke door de rechtbank worden gegeven, ziju wat den termijn, waarvoor zjj geldig zijn, onderworp'en aan het voorschrift van art. 116. Volgens dit artikel zjjn alle bevelen van gevangenneming of gevangenhouding voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag waarop zjj zijn ten uitvoer gelegd. Is die termijn verstreken, dan wordt, ook al is de

') Is, zooals in het geval van art. 98, eene beschikking van rechtsingang reeds voorafgegaan, dan is natuurlijk eene nieuwe zoodanige beschikking niet noodig.

Smidt, I 171 en 172. Vgl. mr. A. A. de Pinto , Het herziene W. v. Sv., 1 ld. 261 en 262.

Sluiten