Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 227 , na afloop der instructie maar vóór de berechting der zaak, niet aan het voorschrift van art. 116 onderworpen zijn

Een zeer belangrijk voorschrift ten aanzien van de preventieve hechtenis bevat het zoo even genoemde art. 227, bij de herziening in de wet opgenomen op voorstel der C. v. R., ter vervanging van verschillende bijzondere bepalingen, oorspronkelijk door de regeering voorgedragen 2).

Volgens de algeineene bepaling van het nu opgenomen artikel kan de rechtbank in eiken stand van liet geding, zoowel gedurende den loop der instructie als bij het onderzoek ter terechtzitting en bij de einduitspraak, de invrijheidstelling of de gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde bevelen. Een bevel tot invrijheidstelling kan zjj uitvaardigen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van den beklaagde en gedurende de instructie ook op de voordracht van den rechtercommissaris; een bevel van gevangenneming eveneens ambtshalve en op de vordering van den officier van justitie, doch natuurlijk alleen in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld 3).

Zooals wij zeiden, is het artikel volgens de woorden waarmee het aanvangt van toepassing „in eiken stand van het geding". Intusschen de woorden, die op deze volgen, en het gebruik van het woord „beklaagde" wijzen er op, dat art. 227 alleen kan worden toegepast na den rechtsingang, eene interpretatie die ook met de bedoeling van den wetgever overeenstemt. Daarentegen is iedere verdere beperking met die bedoeling in strijd en door de woorden niet gerechtvaardigd. Ik zou dus meenen, dat er geen grond bestaat om aan te nemen, dat tusschen de verwijzing naar en de behandeling ter terechtzitting de rechtbank onbevoegd is de invrijheidstelling te bevelen. Ook wanneer na de sluiting van het onderzoek en het bepaald zijn der uitspraak op een aangegeven dag

£\S f cl

l) Zie daaromtrent de beschouwingen in F. v. J. 1894 nos. 22, 24 en 26 L' en rnr. Westermann, t. a. p. bl. 23 en 24; voorts Hulshoff, aant. 1 ad art. 227. *) Smidt, I 639—645.

3) Het tweede lid van art. 86 is niet bij art. 227 toepasselijk verklaard; vgl. H. R. 24 Februari 1902; W. 7733; P. v. J. n°. 129.

el- "*Or . 4.t ^ t -{ / 1 X.J ~ 1.-tv. I < t

t I U Tft f <£«-. _

Sluiten