Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het doel hunner opsluiting of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zjjn. Bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij K. B. van 31 Augustus 1886 Stb. n . 159, tot nadere uitwerking der zoogenaamde beginselenwet, werd echter slechts hier en daar over de onveroordeelde gevangenen gesproken, en voor eene afzonderlijke en betere behandeling der preventief gedetineerden volstrekt niet gezorgd '). In dit opzicht is eenige verbetering gebracht door het onder den Minister van Justitie Cort van der Linden uitgevaardigde K. B. van 7 Juni 1901 Stb. n°. 142 tot wijziging van bedoelden algemeenen maatregel'). Thans komen iu den Achtsten Titel artt. 117 tot 121 ^— enkele voor de onveroordeelden gunstiger voorschriften voor, bijv. omtrent de inrichting der vertrekken, waarin zij worden geplaatst. Ter uitvoering van die voorschriften is die inrichting ook werkelijk verbeterd. Over de wijze van inbewaringstelling van minderjarigen, die voor het begaan van het feit den leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, geeft art. 45 lid 2 Sv. bijzondere voorschriften.

Eindelijk hebben wij nog melding te maken van het speciale voorschrift van art. 384 Sv. Volgens dit artikel is de rechtercommissaris of de met de instructie belaste raadsheer-commissaris gedurende de instructie bevoegd in de gevangenis ten opzichte van den beklaagde zoodanige bevelen te geven als hij in het belang der instructie noodig acht. In die bevoegdheid brengt echter het tweede lid weder eene bepeiking door de bepaling, dat indien de rechter- of raadsheer-commissaris den gevangene langer dan zes dagen buiten toegang wenscht te houden, daartoe een bevel van de rechtbank of van den Hoogen Raad zal noodig zijn 3). Verdere grenzen worden door de wet aan het in het eerste lid van art. 384 gegeven recht niet gesteld. Ook in dit opzicht is dus onze strafvordering al zeer onvolledig4). Trouwens de geheele regeling van het instituut der preventieve hechtenis eischt dringende verbetering.

1) Mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., I bi. 361.

2) Vel mr. W. F. van Meurs, in T. v. Str., XIV 246.

») Van een bevel van het hof, mede in art. 384 vermeld, kan geen

sprake zijn.

*) Mr. A. A. de Pinto, t. a. p., II bl. 528.

q Ay *v v./ —• s 1 +r x.

i. ^

Sluiten