Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 4'. Van de voorloopige informatiën').

Wanneer er een strafbaar feit is gepleegd en hetzij de dader nog niet bekend is, of er nog geen voldoende aanwijzingen bestaan om rechtsingang tegen den persoon, die als de dader verdacht wordt, te vragen, kan het noodig zijn dat er een voorloopig rechterlijk onderzoek wordt ingesteld.

De officier van justitie mist, gelijk reeds werd opgemerkt, de noodige bevoegdheid, behalve in het thans behandelde geval van heeter daad, om zelf dat onderzoek te leiden, want hij is o. a. niet gerechtigd de getuigen, die hij zou moeten hooren, te doen dagvaarden. De wetgever geeft hem dus slechts het recht dat onderzoek uit te lokken en draagt de leiding er van op aan den rechter, belast met de instructie der straf" zaken, den in art. 56 bedoelden rechter-commissaris

Volgens dat artikel worden bij iedere rechtbank door het gerechtshof, waaronder zij ressorteert, een of meer rechterscommissarissen benoemd, aan wie het onderzoek in strafzaken

is opgedragen ). Deze rechters-commissarissen worden uit de leden der rechtbank gekozen; niet, zooals door velen wordt

gewenscht, als voortdurend met de instructie belaste ambtenaren, doch slechts telkens voor twee jaren.

Langer dan twee jaren achtereenvolgens behoeven de leden dei rechtbank de functie van rechter-commissaris niet waar te

') De nieuwe bepalingen, krachtens de wet van 12 Februari 1901 in dezen titel opgenomen, met betrekking tot de rechtspleging tegen jeugdige personen, art. 61 lid 5 artt. 616/s en ter en 66bis, art. 79 lid 4 en art '!"°r,den behandeld '» Je Vijfde Afdeeling aan het slot van het boek'.

) Bij het bij K. Boodschap van 2 Mei 1907 ingediende ontwerp van wet (W. 8527) wordt aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht de bevoegdheid gegeven, om in de aan de kennisneming van den kantonrechter opgedragen zaken zelf voorloopige informatiën in te winnen en worden hem de daartoe vereischte rechten toegekend.

3) Over het rechter-eommissariaat in strafzaken vgl. men de beschouwingen in utramque partem van mrs. O. Q. v. Swinderen, F. Uyttenbogaart en van Styrum in W. 5324, 5330 en 5336 en het opstel van mr. v. Swinderen in Themis 1898, bl. 402 vlg. In den laatsten tijd bestaat in Duitschland eene krachtige beweging om het geheele vooronderzoek te leggen in handen van het O. M. Men zie in verband met deze quaestie de artikelen van mr. J. Kruseuian, in T. v. Str., XVIII 369 en 419. X *

Ju tl>« . . /, / _ f-j ^ J- ,y !

Sluiten