Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangebracht, volgens de voorschriften van art. 222, 1°. Wel was volgens art. 79 ook bij correctioneele zaken eene instructie mogelijk en was die zelfs in de gevallen bij art. 80 vermeld verplichtend, doch behoudens deze laatste uitzondering had de officier de vrije keuze, of hij de zaak rechtstreeks of krachtens verwijzing wilde aanbrengen. Dit beginsel is nu door den wetgever voor alle misdrijven aangenomen en in art. 141 aan den officier van justitie het recht gegeven om de zaak ter terechtzitting aanhangig te maken^,, hetzij rechtstreeks, hetzij tengevolge van verwijzing". Intusschen wordt de officier in zjjne geheel vrije keuze belemmerd door enkele andere voorschriften van het Wetboek, waarop ten deele reeds vroeger de aandacht werd gevestigd. Wij zagen bij de behandeling der preventieve hechtenis, dat een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding niet meer door de rechtbank kan worden gegeven, geheel onafhankelijk van het al of niet verleenen van rechtsingang, maar dat, behoudens eene voorloopige bevestiging van een bevel van aanhouding voor den tijd van zes dagen, een bevel tot gevangenhouding slechts tegelijk met een vonnis van rechtsingang kan worden verleend. Wil dus de officier, dat een bevel tot voorloopige aanhouding bevestigd worde of dat de rechtbank zelf een bevel van gevangenneming verleene, dan moet hij een vonnis van rechtsingang uitlokken. Intusschen is instructie ook dan niet verplichtend; acht de officier de zaak reeds voldoende onderzocht en tot klaarheid gebracht, dan vraagt hij eenvoudig onmiddelljjke verwijzing. Hij kan daarentegen, ook zonder dat er van gevangenneming ot gevangenhouding sprake is, bij den rechtsingang alleen de opening van eene instructie vragen, wanneer hij die noodig oordeelt, ja zelfs kan hij zich er toe bepalen alleen eene verwijzing te requireeren zonder meer. Deze laatste bevoegdheid werd den officier verleend door de aanneming van een amendement van de C. v. R. '). De regeering was van oordeel, dat nu de officier de bevoegdheid verkreeg om rechtstreeks te dagvaarden, eene tusschenkomst van de raadkamer niet noodig was, wanneer noch een bevel van gevangenneming of gevan-

») Smidt, I 285-289.

Sluiten