Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genhouding noch de opening eener instructie verlangd werd. Daarentegen meende de C. v. R., dat eene aanvulling van het artikel in den zin van haar amendement in overeenstemming was met de bepalingen van andere artikelen, zooals art. 85, en dat het wenschelijk was den officier in de gelegenheid te stellen, wanneer hij dat wenschte, vooraf het oordeel der rechtbank over de in te stellen strafvervolging te leeren kennen. Volgens de bepalingen in art. 81 zal nu de officier bij zijn requisitoir tot het verleenen van rechtsingang aan de rechtbank kunnen vragen: 1". verwijzing van de zaak naar de terechtzitting, 2°. verwijzing van de zaak naar de terechtzitting, met bevel tot gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde, 3°. last tot instructie der zaak, 4°. last tot instructie der zaak met bevel tot gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde.

Zoo de officier eenmaal de zaak in de raadkamer van de rechtbank gebracht heeft is hij, behoudens zijn recht van verzet, aan hare uitspraak gebonden. Ook al zou hij volkomen bevoegd zijn geweest de zaak bij rechtstreeksche dagvaarding aan te brengen, nu hij eene rechterlijke beslissing heeft uitgelokt , mag hij haar niet als niet geschied voorbijgaan ').

De officier is dus geheel vrij in zijne beslissing, of hij al dan niet eene voorafgaande tusschenkomst der raadkamer wenschelijk acht. Intusschen kan het voor een beklaagde van groot belang zijn, dat eene openbare behandeling zijner zaak zoo mogelijk worde vermeden of dat althans een behoorlijk onderzoek aan die behandeling vooraf ga. Door deze gedachte geleid heeft de wetgever aan den beklaagde bij art. 145 de bevoegdheid gegeven om een onderzoek zijner zaak in raadkamer te vragen. Hij kan daartoe tegen de hem beteekende dagvaarding binnen vjjf dagen verzet doen bij een exploit, aan den officier te beteekenen, door welk verzet de uitgebrachte dagvaarding van rechtswege vervalt.

De officier brengt alsdan de zaak in de raadkamer van de rechtbank met .zoodanig requisitoir als hij met inachtneming van het bij art. 81 bepaalde noodig zal oordeelen. Er kan dus

') Men vgl. de jurisprudentie, geciteerd bij Léon, aant. 10 ad art. 222.

Sluiten