Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste twee alineas van art. 82 zjjn opgenomen op voordracht der C. v. R. '). Daar soortgelijke bepalingen vóór de herziening ontbraken, kon de zich onbevoegd verklarende rechter toen niet over gevangenneming, gevangenhouding of invrijheidstelling beslissen2). Thans is hem de bevoegdheid toegekend om, wanneer de verdachte zich in hechtenis bevindt, te bevelen, dat hij daarin zal verblijven. Dit bevel blijft slechts voor zes dagen van kracht; is het voor het verloopen van dien termijn niet door den bevoegden rechter bevestigd, dan wordt de verdachte in vrijheid gesteld.

Art. 85 oud bepaalde dat, zoo de rechtbank bevond dat er tegen het feit geene strafbepaling bestond, zij het bevel van rechtsingang moest weigeren en verklaren dat er geen grond was om voort te procedeeren. Onder deze redactie „het niet bestaan van eenige strafbepaling", vielen bij eene letterlijke interpretatie alleen de gevallen, waarin een ontslag van rechtsvervolging moest worden uitgesproken, niet die, waarin het O. M. niet ontvankelijk was, zooals wanneer het misdrijf verjaard was, de vereischte klachte door de beleedigde partij niet gedaan was of de strafactie van eene civiele actie afhankelijk was 3). Om nu uitdrukkelijk te beslissen dat ook deze gevallen onder het artikel zouden vallen, stelde de regeering voor in art. 83 te lezen „indien ter zake van het feit geen recht tot strafvordering aanwezig is". De heer Mackay vreesde, dat bij deze redactie het artikel ook zou worden toegepast op de gevallen van de artt. 37 en 39 Sw., in welke gevallen z. i. geen recht tot strafvordering maar wel tot strafvervolging bestaat. Op zijn voorstel werd daarom het woord „strafvordering" in „strafvervolging" veranderd 4).

De wijziging, in de redactie van het slot van het artikel

*) Smidt. t. a. p.

3) De Pinto, t. a. p. bl. 164. Anders de Bosch Kemper, Strafv.. II bl. 30.

3) Mr. de Bosch Kemper bracht echter ook deze gevallen onder de bepalingen van het artikel, t.a.p. bl. 31. Zie ook mr. A. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 167 noot a.

4) Smidt, I 294—296. Vgl. mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., I bl. 344 en 345, die terecht de door mr. Mackay gemaakte onderscheiding betwist. In de practijk wordt art. 83 ook toegepast om een verdachte buiten vervolging te stellen op grond van art. 37 lid 1 W. v. Str,

Sluiten