Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht „verklaart zij dat er geen grond is om voort te procedeeren' in „stelt zij den verdachte buiten vervolging", werd ondanks de aanvankelijke bezwaren van den heer Gratama behouden ').

Art. 84 behandelt het geval, dat er nog geen voldoende aanwijzingen bestaan om rechtsingang te verleenen. Art. 86 oud onderscheidde het niet bestaan van voldoende aanwijzing hetzij van schuld van den beklaagde of van den aard des misdrijfs. In de oorspronkelijke regeeringsredactie was deze laatste uitdrukking weggevallen , doch op advies der Commissie werd zij wederom opgenomen a). Bjjgevoegd werd daarenboven reeds in het oorspronkelijke regeeringsvoorstel de vermelding van het geval, dat ook nog geen voldoende aanwijzing bestaat, dat het feit zelf gepleegd is. Belangrijker echter dan deze wijziging is eene andere, door de regeering in art 86 gebracht. In art. 128 Code d'Instruction Criminelle wordt aan de Chambre du Conseil, na de wijziging in het jaar 1856 aan den rechter van instructie, de bevoegdheid gegeven om, wanneer hij meent, „qu'il n'existe aucun charge contre 1'inculpé", eene zoogenaamde ordonnance de non lieu uit te vaardigen, d. w. z. den beklaagde buiten vervolging te stellen. Bij de samenstelling van het Wetb. v. Strafv. werd er op aangedrongen dit geval mede in art. 86 op te nemen, doch de regeering verzette zich daartegen, omdat zjj niet reeds in deze phase van het geding aan den rechter de bevoegdheid wilde geven eene vervolging onmogelijk te maken en aldus, zooals zij het uitdrukte, ~het geding te smoren" 3). Zoowel de Pinto als de Bosch Kemper 4), de eerste ook voor het nu in art. 84 mede genoemde geval dat het misdrijf zelf nog niet vaststaat, leerden dan ook, dat de rechtbank niet de bevoegdheid had op feitelijke gronden rechtsingang te weigeren en buitenvervolgingstelling te bevelen. Thans echter was de regeering, blijkens de M. v. T., van oordeel, dat het bedenkelijk zou zijn den rechter te verplichten om ook, wanneer hij geene aanwijzing van schuld

>) Smidt, t. a. p. bl. 292—294.

2) Smidt, bl. 298.

*) Voorduin, Strafv., dl. 1, bl. 415—417.

4) De Pinto, t. a. p. bl. 165—167, de Bosch Kemper, Strafv., II bl. 37.

Sluiten