Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten aanzien van een minderjarige, die vervolgd wordi wegens een feit, begaan voordat hij den leeftjjd van achiflln jaren heeft bereikt, kan de buitenvervolgingstelling ook geschieden, indien de rechtbank dit om redenen van algemeen belang raadzaam acht of van oordeel is, dat met toepassing van art". 38 W. v. Str., de beklaagde aan zjjne ouders of voogden moet worden teruggegeven, zonder oplegging van eenige straf.

Zijn in de instructie of na den afloop daarvan vormen verzuimd , hetzij wel, hetzij niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, dan moet de raadkamer herstel van dat verzuim of heropening van het onderzoek van de laatst geldige akte af, die aan het verzuim is voorafgegaan, bevelen. Het eerste zal veelal onmogelijk zijn en het laatste zal dikwerf tot groote moeilijkheden kunnen leiden ').

Eindelijk moet, wanneer de raadkamer van oordeel is, dat het te laste gelegde feit strafbaar is, de berechting er van tot de competentie van de rechtbank behoort en er voldoende aanwijzingen voor de schuld zijn geleverd,'de zaak naar de terechtzitting worden verwezen. Zijn meerdere strafbare feiten aan de kennisneming van de rechtbank onderworpen, dan kunnen zij, wanneer zij samenhangend zjjn of vallen onder do bepalingen van art. 89, ook in dezen stand van het geding worden gevoegd, evenals ook, overeenkomstig het voorschrift van art. 91, de splitsing van tegelijk aangebrachte misdrijven kan worden bevolen. Bevindt de beklaagde zich in preventieve hechtenis, doch wordt zijne verwijzing bevolen ter zake van een misdrijf, niet genoemd in art. 86, of is geen der in dat artikel voor de toepassing van de preventieve hechtenis gevorderde gronden meer aanwezig, dan zal de rechtbank, volgens het straks reeds vermelde art. 128, de invrijheidstelling bevelen.

De beschikkingen, waarbij de rechtbank over de al of niet verw ijzing beschikt, moeten aan dezelfde vereischten voldoen als in art. 92 voor de beschikkingen tot rechtsingang zijn gesteld; die, waarbij de verwijzing is bevolen, moeten bovendien aan den beklaagde worden beteekend, art. 129.

') Smidt, I 400 en 401; A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., I bl. 451 en 452. '

Sluiten