Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaren moeten hebben, doch overigens aan den rechter overgelaten om te beslissen, of wat wordt bijgebracht als een nieuw bezwaar kan worden beschouwd.

Ingeval de officier vermeent, dat het geval van art. 136 lid 1 aanwezig is, zal hij de stukken wederom aan de rechtbank aanbieden met zoodanig requisitoir als hij overeenkomstig art. 81 noodig oordeelt, terwijl de zaak dan verder volgens de voorschriften van den derden titel zal worden behandeld. Uit deze bepaling volgt, dat de officier niet het recht heeft, nadat de rechtbank eenmaal eene buitenvervolgingstelling heeft bevolen, op grond van naar zijne ineening gevonden nieuwe bezwaren tot rechtstreeksche dagvaarding over te gaan.

HOOFDSTUK V.

Het eindonderzoek.

§ 1. "Van het aanhangig maken der zaak.

De vierde titel van het wetboek is gewijd aan de behandeling der zaak ter terechtzitting van de arrondissements-rechtbank, welk college, zooals wij vroeger gezien hebben '), met enkele uitzonderingen, kennis neemt van alle als misdrijven beschouwde feiten en voorts van enkele overtredingen. Het eerste artikel van den titel regelt de wijze, waarop de strafzaak aan het oordeel der rechtbank wordt onderworpen, en vordert daarvoor eene dagvaarding, die als regel uitgaat van den officier van justitie, doch in belastingzaken, althans voorzoover de vervolging strekt tot toepassing van boeten, verbeurdverklaringen of het sluiten van fabrieken of werkplaatsen, geschiedt van wege de daartoe bij de wet aangewezen ambtenaren 5), waarvoor nu eens wordt aangewezen de administratie (art. 247 der wet van 26 Augustus 1822) dan weer de Minister van Finantiën (art.'-êö der wet wia 2 Octobar 1893 Stb. n°. 149 en art. 75 der wet van 16 April 1896 Stb. n°; 72), en in wier naam, krachtens het K. B. van 14 April 1846, de vervolging geschiedt door de rijksadvocaten.

i) BI. 17.

') Vgl. hiervoor bl. 39 en 40,

Sluiten