Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk moesten worden opgegeven de tijd wanneer, de plaats waar en de persoon tegen wien het misdrijf was gepleegd, zonder dat echter de niet-vermelding van eene dezer omstandigheden de dagvaarding bepaald nietig maakte '). In dit opzicht is de wet thans strenger, doordien zij nu uitdrukkelijk en op strafte van nietigheid vordert, dat de tijd omstreeks welken en de plaats waar het misdrijf begaan zou zijn in de dagvaarding moeten zjjn vermeld '). IJovendien moet de dagvaarding inhouden de vermelding van de omstandigheden, waaronder het feit zou gepleegd zijn , doch dit voorschrift is niet op straffe van nietigheid gegeven -»« <le nakoming daarvan hangt dus geheal van de ambtenaren van het O. M. af./Overigens bestond en bestaat over hetgeen de dagvaarding moet inhouden zeer veel verschil van gevoelen, vooral in verband met de vraag, of deze of gene omstandigheid al dan niet als tot de elementen van het misdrjjf behoorende moet worden beschouwd a). Niet vermeld behoeven te worden de omstandigheden , waaruit de ontvankelijkheid van het O. M. in de ingestelde vordering voortvloeit, bijv. dat bij een klachtdelict de klacht is gedaan *). Evenmin behoeft in de dagvaarding eene

') De Pinto, Handl. Strafv., bl. 410.

J) Zoowel wat de aanwijzing van tijd als van plaats betreft, stelt de practijk niet al te strenge eischen. Vgl. wat de tijdsbepaling aangaat het arrest van den H. R. van 15 Juni 1903; W. 7944; P. v. J. n°. 255 en de jurisprudentie, geciteerd bij Hulshoff, aant. 62 ad art. 143. Eenetelastlegging, dat het feit zou gebeurd zijn op zekeren dag van een aangegeven jaar, werd meermalen voldoende verklaard; zie o. a. H. R. 25 Juni 1906; < W. 8394; P. v. J. n°. 572, Hof Arnhem, 21 Juli 1906; W. 8487. Ook wat de plaatsaanwijzing aangaat, maakt de H. R. het den stellers der dagvaarding niet al te lastig. Men vgl, de arresten van 29 Februari 1892; / W. 6161; P. v. J. n°. 47; 9 October 1900; W. 7499; P. v. J. n°. 87 en 5 Juni 1906; W. 8388; P. v. J. n°. 552.

3) Vgl. de uitvoerige opgave bij Hulshoff, aantt. 19 en 20 ad art. 143 en o. a. het arrest van den H. R. van 28 October 1889, gewezen in strijd met het gevoelen van den advocaat-generaal mr. Patijn, in W. 5792; P. v. J. 1889 n°. 138. Voorts het artikel van mr. Besier in Rechtsgel. Magaz., 1897 bl. 183 vlg. en naar aanleiding en ter bestrijding van het arrest van den H. R. van 29 Januari 1900; W. 7400; P. v. J. nB. 19, hetopstelvan mr. A. v. Wijnbergen, T. v. Str., XIII 128 vlgg.

4) Hulshoff, aant. 5 ad art. 143.

Sluiten