Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar dat omstandigheden, niet in de dagvaarding vermeld, niet ten laste van den beklaagde in aanmerking kunnen komen. Naar de bepaling van art. 191 kan echter door den rechter wel acht worden geslagen op niet in de dagvaarding vermelde omstandigheden, welke volgens de wet tot verzwaring van straf grond geven, zooals bij het misdrijf van mishandeling het veroorzaakt zijn van zwaar lichamelijk letsel, indien de officier van justitie den beklaagde op die omstandigheden heeft opmerkzaam gemaakt. Voor de beoordeeling van zijne bevoegdheid mag de rechter, naar de jurisprudentie van den Hoogen Raad, rekening houden met omstandigheden, welke uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken doch niet in de dagvaarding zijn vermeld, ook zonder dat aan het voorschrift van art* 191 behoeft te zijn gevolg gegeven Al kan aan den Hoogen Ilaad worden toegegeven, dat voor dit geval op het voorschrift van art. 191 geen beroep kan worden gedaan, dan volgt daaruit m. i. niet de juistheid van de aangenomen leer, welke in strijd is met het beginsel, dat de dagvaarding de grondslag is van het geding en dus de bevoegdheid slechts naar die dagvaarding mag worden beoordeeld, en welke bovendien leidt tot de consequentie, dat de eene rechter onbevoegd zal zijn met het oog op de ter terechtzitting gebleken omstandigheden en de andere, die bij zijne beslissing toch op die omstandigheden niet mag letten, indien zij den aard der telastlegging veranderen, geroepen zal worden te oordeelen over een strafbaar feit, waarvan de beiechting niet aan hem, maar aan den zich onbevoegd verklaard hebbenden lageren rechter is opgedragen, terwijl hij zelfs, indien de beklaagde de verwijzing vraagt, verplicht zal zijn zijne onbevoegdheid uit te spreken.

Art. 191 is overigens eenigszins beperkter dan de vroegere bepaling, omdat er alleen in wordt gesproken van omstandigheden bij het onderzoek bekend geworden en het dus niet van toepassing is, wanneer die omstandigheden reeds tijdens de instructie bekend waren, een geval in het correspondeerende art. 203

') Vgl. Hulshoff, aant. 2 ad art. 191 en arrest van 6 Januari 1902: W. 7709; P. v. J. n°. 116.

Sluiten