Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaarde worden opgelegd? Het onderzoek omtrent het al dan niet bewezen zjjn der telastlegging behoort aan de beslissing omtrent de al dan niet strafbaarheid vooraf te paan; eerst moet worden beslist, of de beklaagde het te laste gelegde feit heeft gepleegd en daarna, of dat feit krachtens eene van de bepalingen der strafwet kan worden gestraft. Daar dit laatste punt ook aan het oordeel van den rechter in cassatie kan onderworpen en deze nooit het gebied der feiten mag betreden, moet, ook al spreekt de rechter een ontslag van rechtsvervolging uit, toch allereerst eene beslissing omtrent de feiten en over de schuld van den beklaagde worden gegeven ')/ Is er daarentegen eene reden van niet-ontvankeliikheid aanwezig, die het onderzoek omtrent de hoofdzaak overbodig maakt, dan behoeft de rechter over den feitelijken grondslag der strafactie niet eene beslissing te geven. De regeering wilde aanvankelijk dit laatste uitdrukkelijk in de wet bepalen door de opneming van het volgende artikel: „De beraadslaging over de punten, onder n°. 1, 2 en 3 van art. 221v. vermeld, vervalt wanneer, zonder dat daartoe een onderzoek der zaak zelve noodig is, blijkt, dat de dagvaarding nietig, de officier van justitie niet-ontvankelijk of de rechtbank onbevoegd is". De C. v. R. merkte echter op, dat naar het oordeel der regeering zelf de jurisprudentie van den H. R. reeds in dien zin gevestigd was, zoodat eene uitdrukkelijke bepaling in de wet onnoodig was. Het voorgestelde artikel werd daarop door de regeering teruggenomen, doch de jurisprudentie van den H. R. omtrent dit puntJ) vindt in elk geval in hetgeen daaromtrent zoo even is medegedeeld nieuwe bevestiging 3).

Bij de artt. 212 en 213 wordt aan de rechtbank eene bevoegdheid verleend, die haar tot nu niet uitdrukkelijk was toegekend. Bij het eerste van die artikelen wordt aan de

») Mr. A. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 367 noot o; Léon, aant. 2 ad art. 208. Deze jurisprudentie bleef ook later bij tal van arresten gevestigd. Vgl. Hulshoff, aant. 95 ad art. 221 en uit de latere rechtspraak o. a. de arresten van 3 December 1906; W. 8467, 21 Mei 1907- W. 8551 en van 27 Mei 1907; W. 8556. 1

J) I'éon, aant. 5 ad art. 206. Vgl. H. R. 23 Maart 1903- W 7904P. v. J. n". 247. tv tf < '

3) Smidt, I 603 en 604.

Sluiten