Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afwijking: in van het hierboven behandelde art. 219. waarin over de teruggave van overtuigingsstukken wordt gesproken

Eindelijk wordt in n°. 6 van art. 253, in afwijking van het bepaalde in art. 215 lid 2, voorgeschreven, dat bjj veroordeeling in de kosten de veroordeelde, bjj niet-betaling daarvan, voor niet langer dan eene maand in de gijzeling kan worden gehouden.

Volgens art. 74 Wetb. v. Strafr., zooals het nu luidt na de daarin bij de wet van 15 April 1896 gebrachte wijziging, vervalt het recht van strafvervolging wegens overtredingen, waarop geene andere hoofdstraf dan geldboete is gesteld, door vrijwillige betaling van het maximum der geldboete. Art. 254 Sv. regelt nader de uitvoering van dit voorschrift door de bepaling dat hij, die aldus de vervolging wil voorkomen, voorzien van eene schriftelijke machtiging van het openbaar ministerie bjj het kantongerecht, binnen den bij die machtiging bepaalden termijn ten kantore van den met de invordering der boete belasten ambtenaar het maximum der boete moet betalen. Art. 74 is ook van toepassing, indien naast geldboete verbeurdverklaring bedreigd is. In dat geval moeien de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen worden afgegeven of de waarde, waarop zij geschat zijn, voldaan. Afgifte of voldoening moet, volgons art. 254, aan den zoo even genoemden ambtenaar geschieden Art. 254 bepaalt echter niet door wien de waarde der voorwerpen moet worden geschat, zoodat dit, behalve in het geval behandeld bij art. 45 lid 2 der Jachtwet,' niet geregeld is. De meest voor de hand liegende oplossing is wel de taak der schatting als aan den ambtenaar van het O. M. opgedragen te beschouwen ').

Volgens de slotalinea van art. 254 zal in het exploit van dagvaarding de bevoegdheid moeten worden vermeld, bjj art. 74 van het W etboek van Strafrecht verleend. lJ

Reeds meermalen is van verschillende zijden aangedrongen op verandering van de regeling betreffende het geding voor

') V gl. mijn Leerboek, I bl. 237 en aldaar noot 3. In gelijken zin Noyon aant. 2 ad art. 74 Sw., bl. 383' en van Hamel, Inleiding tot de studie van bet Nederl. Strafrecht, 2e druk, bl. 613 en 614. Anders mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., II bl. 368.

Sluiten