Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R. O., worden allereerst enkele bepalingen gegeven omtrent de opsporing van de hier bedoelde strafbare feiten.

Als regel geldt, dat ook hier al de bepalingen van den eersten titel van toepassing zjjn, voor zoover daarvan niet in de volgende artikelen wordt afgeweken. Die afwijkingen komen in hoofdzaak op het volgende neer. Allereerst wordt in art. 295 aan den procureur-generaal opgedragen om te waken voor de behoorlijke opsporing, wanneer een delict, als waarvan hier sprake is, is gepleegd. Hij zal alsdan aan de officieren van justitie en aan de overige ambtenaren, met het opsporen van misdrijven belast, de noodige bevelen kunnen geven, die door deze zullen worden opgevolgd, terwijl de officieren en hulpofficieren van justitie tegenover den procureur-generaal dezelfde veiplichtingen zullen hebben na te komen als in de artikelen 36 — 38 zijn opgelegd aan de hulp-officieren van justitie tegenover den officier.

Door deze bepalingen wordt dus in de hier behandelde gevallen de procureur-generaal van den H. R. de hiërarchische chef van de leden van het O. M., die in deze zijne bevelen zullen hebben te ontvangen en op te volgen. Een dergelijk voorschrift ontbrak in het wetboek van 1838, doch met het oog op de verhouding, in het algemeen tusschen de leden van het O. M. bij den H. R. en die bij de lagere rechterlijke colleges bestaande, achtte de regeering eene dusdanige uitdrukkelijke bepaling noodig ').

Wanneer een misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, ter keonisse komt van den procureur-generaal en hij alsnog een nader voorloopig onderzoek noodig acht, kan hij dit of zelf instellen of voorloopige informatiën doen plaats vinden door een raadsheercommissaris, daartoe op zijne vordering in raadkamer uit de leden van den raad benoemd, art. 296. Ook bij ontdekking op heeter daad zal de procureur-generaal optreden, art. 297. Wel zullen de in de gewone gevallen bevoegde ambtenaren verplicht zijn datgene te verrichten, wat hun naar de algemeene regelen is opgedragen, doch zoodra de procureur-generaal!), ') Smidt, II 120.

-) Of de advocaat-generaal, die terecht in art. 297 niet uitdrukkelijk is genoemd; Smidt, t. a. p. bl. 121.

Sluiten