Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 8. De procedure tegen afwezig gebleven beklaagden. Tv S < 1

De achtste titel van het wetboek van strafvordering regelt het rechtsgeding tegen beklaagden, die op de tegen hen uitgebrachte dagvaarding niet verschijnen, noch in persoon noch, in de gevallen, waarin dit is toegelaten, bij gemachtigde. Volgens art. 264 zal in dit geval tegen den niet verschenen beklaagde verstek worden verleend ') en de zaak verder op volkomen geljjke wijze als bij de aanwezigheid van den beklaagde worden behandeld. Natuurlijk komt wegens de afwezigheid van den beklaagde zelf ook eene verdediging door een raadsman niet te pas.

Art. 264 lid 2 bepaalt, dat indien een beklaagde, die bij gemachtigde is verschenen, niet voldoet aan een rechterlijk bevel tot persoonlijke verschijning, eveneens verstek zal moeten worden verleend '). Indien daarentegen een beklaagde, die op de dagvaarding is verschenen, later na eventueele schorsing der zaak niet weder verschijnt, zal de zaak ook verder als eene contradictoire behandeld worden 3).

De bepaling van art. 264 is ook op het rechtsgeding in hooger beroep van toepassing 4).

Volgens art. 265 moet het bij verstek gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is veroordeeld of ter beschikking van de regeering is gesteld, aan hem van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie worden beteekend.

Een bijzonder voorschrift omtrent de werking van het verstekvonnis wordt nog gegeven in art. 268. Volgens dit artikel kan de beslissing, in het verstekvonnis omtrent de stukken

1) Dat op een nietig exploit van dagvaarding verstek niet kan worden verleend, spreekt van zelf. Vgl. mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., II bl. 391 en H. R. 20 April 1903; W. 7918; P. v. J. n°. 247. Bij het arrest van 25 Juni 1906; W. 8401 werd implicite beslist, dat verstek ook moet worden geweigerd wegens nietigheid der dagvaarding op grond van haren inhoud.

■) Deze bepaling werd opgenomen op een amendement van mr. Mackav Smidt, II 83. 3

3) Zie boven bl. 158 en noot 1 aldaar. Vgl. voorts mr. A. A. de Pinto, t. a. p., bl. 390 en 391.

*) Mr. A. A. de Pinto, t. a. p. bl. 390.

Sluiten