Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden ingevolge die ter beschikkingstelling of om de opgelegde vrijheidsstraf, hetzij principale, hetzij subsidiaire, te ondergaan, of nadat lijfsdwang op hem is toegepast of beslag op zijne goederen is gelegd tot verhaal van eene uitgesproken boete ')./De hier gegeven aanwijzing van het tijdstip van aanvang van den termijn van veertien dagen moet als eene limitatieve worden opgevat zoodat, nu hier niet is genoemd de betaling van de bij het verstekvonnis opgelegde geldboete, het recht om tegen dit vonnis in verzet te komen door die betaling niet te loor gaat en dus in ditjjeval het verstekvonnis nooit in kracht van gewijsde gaat1)/Het verzet heeft plaats door een exploit aan het openbaar ministerie beteekend en wel aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, die de zaak heeft aangebracht3), en brengt van rechtswege mede dagvaarding op de eerstkomende gewone terechtzitting, opdat de zaak op nieuw en thans contradictoir zal kunnen worden behandeld.

Het ingestelde verzet schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, art. 266 lid 2. Deze bepaling is in de plaats gekomen van het vroegere voorschrift van art. 272 oud, dat het exploit van verzet de veroordeeling van rechtswege deed vervallen, een voorschrift, dat ten opzichte van de verjaring van verstekvonnissen tot zeer bedenkelijke gevolgen had geleid 4). Volgens de thans gekozen redactie blijft dus het verstekvonnis van kracht totdat het is vernietigd en is het onderworpen aan de gewone bepalingen omtrent de verjaring van het recht tot uitvoering van de straf volgens de artt. 76 en 77 van het Wetb. v. Strafr.

Is bij het verstekvonnis een bevel van gevangenneming ver-

i) Indien de straf binnen den gestelden termijn van veertien dagen reeds geheel is ondergaan of ten uitvoer gelegd, is het verzet niettemin gedurende dien geheelen termijn ontvankelijk. Vgl. een vonnis van de rechtbank van Zutphen van 30 Januari 1889; W. 5694.

') H. R. 11 Maart 1895; W. 6641; P. v. J. n". 34. '77b-

') H. E. 4 November 1901; W. 7680; P. v. J. n°. 97; Hulshoff, aant. 3 ad art. 266.

4) Zie daaromtrent mr. A. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 689 noot a en mrs. B. E. Asscher en D. Simons, Het Wetb. van Strafr. vergeleken met den Code Pénal, aant. 1 ad art. 77. Over de tegenwoordige bepalingen in verband met vroegere ontwerpen, zie men Smidt, II 87—102.

Sluiten