Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontslag van rechtsvervolging. Tegen eene vrijspraak, gewezen op grond dat de schuld van den beklaagde niet is bewezen , staat, volgens art. 347, de gewone cassatie niet open. Welke informaliteit ook moge zijn begaan, de eens gewezen nietschuldigverklaring wordt nis een verkregen recht van den beklaagde beschouwd, dat niet door eenig rechtsmiddel kan worden krachteloos gemaakt '). Is daarentegen de beklaagde van allo rechtsvervolging ontslagen, d. w. z. is beslist, dat het hem te laste gelegde en bewezen feit niet strafbaar is, dan kunnen het O. M. en, — hoewel het bij vergissing behouden van het woord „veroordeelde" in art. 346 er tegen zou kunnen pleiten 2) — reeds op grond van de algemeen luidende bepaling van art. 96 R. O., ook de beklaagde 3), die er belang bij kan hebben eene vrijspraak in plaats van een ontslag van rechtsvervolging te verkrijgen, zich tegen het vonnis in cassatie voorzien. De bepalingen van de artt. 347 en 348 dekken elkander niet volkomen, want zeer dikwjjls zal eene vrijspraak worden gewezen, zonder dat dit juist geschiedt op grond dat de schuld niet is bewezen. Bij eene vaste jurisprudentie is dan ook aangenomen, dat voor de toepassing van de artt. 347 en 348, — 381 en 382 oud — niet de vorm maar de werkelijke aard van de

') Léon, aant. 3 in fine ad art. 381 ; Hulshoff, aant. 8 ad art. 347 en 25 Juni 1906, W. 8397; P. v. J. n°. 568. Zie ook de Pinto, Handl. .Strafv., bl. 573. Anders de Bosch Kernper, Strafv., III bl. 381 en ook de jurisprudentie, geciteerd bij Léon, aant. 11 ad art. 381. r'

J) De regeering bedoelde in dezen titel het woord „veroordeelde" door ^„beklaagde" te vervangen, ten einde aan een van rechtsvervolging ontslagen beklaagde, wiens opzending naar een rijksopvoedingsgesticht was bevolen, het recht van cassatie te waarborgen. Zij zag toen het woord „veroordeelde" in art. 346 zelf over het hoofd. Vgl. Smidt, II 154 en 155 en rar. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., II bl. 476 en 480.

3) Db .jurisprudentie van dep H. R. is in anderen zin gevestigd. Daarbij wordt aangenomen, dat behalve aan het O. M. alleen aan den veroordeelde het recht toekomt om in cassatie te komen. Zoo werd aan den beklaagde het recht ontzegd in cassatie te komen bij ontslag van rechtsvervolging en bij nietigverklaring der dagvaarding. Vgl. Hulshoff, aant. 1 ad art 346 en H. R. 18 Februari 1907; W. 8497; P. v. J. n". 622. Tegen de beslis-' sing, waarbij in verband met een krachtens art. 37 lid 1 Sw. uitgesproken ontslag van rechtsvervolging volgens lid 2 plaatsing in een gesticht werd bevolen, werd het beroep in cassatie toegelaten bij arrest van 21 October 1901; W. 7666; P. v. J. n°. 89.

Sluiten