Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begaan '). De wijze, waarop dit beroep moet worden ingesteld, is niet bepaald. Het ineest aannemelijke is, dat het zal moeten geschieden bij een request of memorie, aan den Hoogen Raad ingediend, doch daar het tegendeel niet is bepaald, zal het ook nog mogen plaats vinden bij de behandeling ter terechtzitting. Aldus wordt ook geleerd door de Bosch Kemper2) en de Pinto3), terwijl volgens de jurisprudentie eene op de terechtzitting ingestelde incidenteele cassatie niet meer ontvankelijk werd geoordeeld 4). Bij latere arresten werd echter, hoewel het incidenteel cassatie-middel eerst ter terechtzitting was voorgedragen, over den daarin liggenden grond van nietontvankelijkheid gezwegen 3).

Het incidenteele beroep zal vóór het principale worden onderzocht en beslist. Wordt het arrest op dat beroep vernietigd, dan zal volgens art. 106 R. O. de zaak naar een anderen rechter worden verwezen om van de laatst geldige akte op nieuw te worden behandeld; wordt daarentegen het incidenteele beroep verworpen, dan zal de behandeling van het principale, door den ambtenaar van het openbaai ministerie ingestelde beroep worden voortgezet en daarop beslist.

Zooals wij boven gezien hebben0), is in art. 237 lid 4 en 5 de wijze geregeld, waarop van een eenmaal ingesteld hooger beroep kan worden afstand gedaan. Bij de behandeling van het beroep in cassatie is eene regeling van dit onderwerp achterwege gebleven. Volgens de leer der schrjjvers en der jurisprudentie is echter ook in cassatie de afstand toegelaten zoowel voor het O. M. als voor den beklaagde '). Die afstand moet geschieden ter griffie van het college of kantongerecht, dat het vonnis of arrest, waartegen de cassatie was gericht,

') Vgl. over de grenzen van dit incidenteele cassatieberoep Hulshoff, aantt. 1—3 ad artikel 350.

') Strafv., III bl. 386.

3) Handl. Strafv., bl. 577.

4) Léon, aant. 2 ad art. 384.

5) Zie 3 December 1894; W. 6592; P. v. J. 1895 n®. 6 en 12 April 1898; w. 7114; P. v. J. n». 54.

6) Bl. 216.

7) De Bosch Kemper, t. a. p. bl. 414; de Pinto, t. a. p. bl. 581; Léon, aant. 7 ad art. 389.

Sluiten