Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze beslissing kan van vierderlei aard zijn. Allereerst kan de Hooge Raad de aanvrage niet-onvankeliik verklaren, hetgeen zal moeten geschieden, indien niet is voldaan aan de straks besproken bepaling van art. 377 omtrent den inhoud der aanvrage. In de tweede plaats kan de Hooge Raad reeds dndeljjk van oordeel zijn, dat voor de aangevoerde omstandigheid elk bewijs ontbreekt, althans dat dit bewijs door de aangegeven middelen niet kan worden geleverd, of dat die omstandigheid van dien aard is, dat zij niet beantwoordt aan de bjj art. 375 gestelde vereischten '). Ten derde kan de Hooge Raad beslissen èn dat de aangevoerde omstandigheid voldoende bewezen is èn_ dat zij valt binnen de termen, door art. 375 aangegeven 2). Eindelijk kan de Hooge Raad van meening zijn, dat voor het nemen van eene beslissing een nader onderzoek noodig is 3). Voor het derde en vierde geval regelt de wet dan nader de gevolgen der gegeven beslissing en de daarna plaats te hebben procedure.

Wanneer de Hooge Raad een nader onderzoek noodig oordeelt, kan hjj dat niet zelf instellen maar moet hjj het, volgens art. 379, opdragen óf aan een uit zijn midden te benoemen raadsheer-commissaris of aan een met name aan te wijzen lid eener rechtbank, die van de zaak nog geen kennis heeft genomen. Op dat onderzoek zjjn van toepassing de bepalingen van den tweeden titel van het wetboek over de voorloopige informatiën en voorts voorschriften uit den derden titel, speciaal die omtrent de huiszoeking en het papier-onderzoek, waaromtrent

') Aldus besliste de H. R. ten aanzien van verschillende revisie-aanvragen bij de arresten van 23 October 1899; W. 7341 ; P. v. J. n°. 84, 15 Januari J 1900; W. 7378; I'. v. J. n°. 6 en 5 Nov.1900; W. 7508, Vgl. voorts de aanteekeningen bij Hulshoff, aantt. 2 en 5 ad art. 375 en het artikel van mr. H. de Bie Jr., De revisiewet van 1899 in de practijk, T. v. Str. XVIII 115 vlgg.

3) Zie eene in dien zin gegeven beslissing bij arrest van 3 December 1900; W. 7519; P. v. J. n°. 97. Bij de toen gevolgde behandeling voor het hof te Amsterdam werd de beklaagde vrijgesproken; arrest van 10April 1901 ; W. 757H. Een ander geval van vrijspraak in revisie bij arrest hof Arnhem, 15 Juni 1905; W. 8248; F. v. J. n°. 365. Een voorbeeld van de handhaving der vroegere uitspraak bij de behandeling in revisie in arrest hof 'söravenhage van 12 October 1905; W. 8297; P. v. J. n°. 531.

3) Aldus werd aangenomen bij de revisie-aanvrage van de gebroeders Hogerhuis; arrest van 15 Januari 1900; W. 7378; P. v. J. n°. 6.

Sluiten