Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschreven procedure zal moeten volgen, art. 379a. De Hooge Raad kan nu op grond van het gehouden, al of niet herhaalde onderzoek de aanvrage afwijzen, wanneer dit onderzoek óf het niet bewezen zjjn der aangevoerde omstandigheid of haar onvoldoende beteekenis in verband inet hetgeen art. 375 vordert heeft aan het licht gebracht '). Uit den aard der zaak zal de Hooge Raad daarbij moeten treden in eene beoordeeling van de meerdere of mindere betrouwbaarheid van de aangevoerde getuigenissen, want de in de derde plaats te nemen beslissing, dat de aanvrage voldoende gerechtvaardigd is, zal slechts kunnen steunen op de overtuiging van den Raad, dat van de aangegeven omstandigheid genoegzaam bewijs is geleverd, eene overtuiging, die natuurlijk dikwerf van de geloofwaardigheid der afgelegde verklaringen zal moeten afhangen 2). Wanneer de Hooge Raad , hetzij onmiddellijk na de eerste behandeling hetzij na een ingesteld onderzoek, van oordeel is, dat de aanvrage voldoende gerechtvaardigd is, wordt de tenuitvoerlegging van de aangevallen beslissing hetzij opgeschort hetzij geschorst. Wanneer de veroordeelde zijne straf ondergaat, zal die tenuitvoerlegging worden geschorst en dê veroordeelde moeten worden in vrijheid gesteld, tenzij de Hooge Raad mocht hebben gebruik gemaakt van de bevoegdheid, bij art. 3796 eerste lid omschreven, en bij zijn uitspraak mocht hebben bevolen, dat de veroordeelde in verzekerde bewaring zal blijven. Hij zal dan naar een huis van bewaring worden overgebracht en behandeld worden als een voorloopig aangehoudene. De tijd, dien hij aldus in verzekerde bewaring doorbrengt en die den nog te volbrengen straftijd niet zal mogen overschrijden, zal bij eene eventueele hernieuwde veroordeeling op den straftijd worden toegerekend.

Bij de uitspraak, waarbij de aanvrage wordt toegewezen, zal de Hooge Raad de zaak verwijzen naar een gerechtshof, dat van de zaak nog geen kennis genomen heeft. Dit hofzalalsnu de zaak opnieuw en in haar geheel hebben te onderzoeken. Over

') De e,,rste overweging gaf aanleiding tot de afwijzing van de aanvrage der gebroeders Hogerhuis bij arrest van 18 April 1900; W. 7419; P. v J. n°. 31. Zie ook arrest 9 April 1906; W. 8361; P. v. J. n°. 537.' 3) Vgl. mijn artikel in P. v. J. 1900, n'. 34.

Sluiten