Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De commies-griffier der Eerste Kamer wekt, behalve wegens het hem toevertrouwde ambt, wegens even bekwame als nauwgezette werkzaamheid op het gebied der publieke zaak, het vermoeden dat de zesde uitgave hem volkomen te recht is toevertrouwd.

In „Een woord vooraf" bij den vijfden druk mocht ik de opmerking maken, dat daarbij het stelsel was gevolgd, den vorigen druk niet alleen aan te vullen met hetgeen door nieuwe regeling werd geeischt, maar ook met onderwerpen, welke in de vorige edities niet waren behandeld, alsmede met wijzigingen welke van eene andere opvatting dan die van den heer Lenting getuigden.

Hetzelfde is door den heer Romeijn gedaan, doch in veel ruimeren zin dan in 1888 geacht kon worden op den weg van den ondergeteekende te liggen. Daarvan is de grondwetsherziening van 1887 wel eene voorname, doch niet de eenige oorzaak; want ten eerste zijn er nu zeventien jaren na den laatsten druk verloopen, maar tevens heeft de heer Romeijn zich tot taak gesteld, deze uitgave zooveel mogelijk aan de eischen van het jaar 1901 te doen beantwoorden.

Moge deze zesde uitgave van Lenting's Schets inderdaad blijken te voldoen aan hetgeen de aanvang der twintigste eeuw recht heeft van haar te vorderen!

Dei,kt, 2 Januari 1901.

R. H. PEKELHARING.

Sluiten