Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vond noch bij de Regeering, noch bij de Eerste Kamer weerklank. Ilot geschil had dan ook tengevolge, dat, voor het eerst sedert 1815, het antwoord op de troonrede achterwege bleef. Hierdoor niet ontmoedigd, besloten nu negen leden der Tweede Kamer: de heeren J. R. Thorbecke, L. C. Luzac, E. W. van Dam van Isselt, J. H. graaf van Rechteren, J. M. de Kempenaer, L. D. Storm, B. Wichers, S. baron van Heemstra en S. H. Anemaet, den 9Dec. 1844, een voorstel in te dienen tot eene volledige herziening deiGrondwet. Dat voorstel, bekend onder den naam van het voorstel der negen-mannen, voldeed aan de rechtmatige eischen. De ingenomenheid waarmede het door de burgerij werd begroet, bleek terstond uit de menigte adressen, waarin bij de Kamer op de aanneming werd aangedrongen. Ten slotte werd de natie wederom teleurgesteld; na langdurige beraadslagingen werd den 80 Mei 1845 met 84 tegen 21 stemmen beslist, dat de Kamer geen voorstel tot verandering der Grondwet zou doen '). Niettemin heeft het genoemde voorstel blijvende waarde, nu de beginselen waarvan het uitging, voor een groot gedeelte bij de herziening van 1848 in de Grondwet zijn opgenomen. Deze herziening is door den arbeid der negen-mannen op krachtige en doeltreffende wijze voorbereid geworden.

In den loop van 1847 en het begin van 1848 werd eene herziening der Grondwet door de Regeering voorbereid. Nog in 1845 had de troonrede verklaard, dat de overtuiging van de noodzakelijkheid der herziening bij den Koning niet was gevestigd. Het bleek echter weldra ondoenlijk te zijn, gevolg te geven aan art. 6 der Grondwet, krachtens hetwelk de „oefening van het stemrecht inde steden en ten platten lande, zoowel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen", bij de wet moest worden geregeld. Tot dusver werd het een en ander beheerscht door reglementen, welke verschillende onderwerpen regelden, die met do genoemde in nauw verband stonden. De achtereenvolgende verwerping van een drietal voorstellen tot uitvoering van art. 6 schonk ook den Koning de overtuiging dat de herziening niet kon uitblijven; de troonrede van 1847 gaf uiting aan die overtuiging

1) Zie over het verhandelde met betrekking tot het voorstel der negen leden: Handelingen over de voorstellen tot Grondwetsherziening in 1845, (ed. Belinf ante) te 's Hage, 184C.

Sluiten