Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de mededeeling, dat de Regeering van oordeel was, dat de noodzakelijkheid tot Grondwetsherziening was geboren.

Onjuist is dan ook de bewering, dat de grootc politieke gebeurtenissen van begin 1848 op het besluit tot Grondwetsherziening invloed hebben uitgeoefend. Haar invloed op het verloop dier herziening is evenwel niet te miskennen.

Het duurde tot begin Maai t 1848 eer uitvoering gegeven werd aan het voorgenomen plan. Bij Koninklijke Boodschap van 8 Maart 1848 werden 27 ontwerpen van wet tot herziening der Grondwet aan de Staten-Generaal ingediend.

Inmiddels was in Februari in Frankrijk de omwenteling uitgebroken, welke ook hier te lande een diepen indruk maakte. De voorstanders eener doortastende hervorming werden daardoor te meer bewogen de ingediende herziening geheel onvoldoende te achten. De spanning en onrust namen toe. Voor het behoud der openbare orde viel te vreezen. Zelfs van den kant der conservatieven werd op ruime concessiën aangedrongen. Dit gaf den Koning aanleiding tot een persoonlijk ingrijpen. In den middag van den 13en Maart ontbood hij den Voorzitter der Tweede Kamer, den heer Boreel van Hogelanden, om door zijne tusschenkomst van de Kamer te vernemen, welke herziening in ruimeren zin door haar werd gewenscht. Het ministerie dat bij dezen gewichtigen stap door den Koning geheel was voorbijgegaan, diende zijn ontslag in. De Kamer besloot de 27 ontwerpen ter zijde te stellen en vatte den 16 Maart hare denkbeelden omtrent de herziening in een verslag samen. Den volgenden dag benoemde de Koning eene commissie voor het samenstellen van nieuwe herzieningsontwerpen. Zij bestond uit de heeren mrs. J. R Thorbecke, D. Donker Curtius, J. M. de Kempenaer, L. C. Luzac en L. D. Storm. Reeds den 11 April had deze commissie, waarvan twee leden inmiddels als ministers waren opgetreden, hare taak voltooid ').

1) Voor het bovenstaande mogen wij verwijzen naar de belangrijke bescheiden, voorkomende in het geschrift van Mr. A. J. graaf van Randwijck: De Geschiedenis van de zeven en twintig ontwerpen van wet tot herziening der Grondwet in 1847—1848 toegelicht, 's Gravenhage 1870, en naar de letterkundige aanteekeningen in het Vde deel van Jlir. mr. J. de Bosch Kemper's Geschiedenis van Nederland na 1830. Omtrent des Konüigs gezindheid tegenover de herziening vergelijke men v. Randwijck, blz. 14 en 40. Zeer opmerkelijk is onder anderen de toespraak door den

Sluiten