Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van al hetgeen, vooral sedert 1840, over herziening bij de Tweede Kamer en in het publiek daarbuiten is gehandeld," en „ na toetsing van de tegenwoordige behoefte en van de voorwaarden, zonder welke geen Staat bij de hedendaagsche spanning en stoute wending aller Staten de toekomst met eenig vertrouwen ingaat," tot de overtuiging gekomen, dat de Grondwet voornamelijk in twee opzichten herziening vorderde, nl. „ de betrekking des volks tot de staatsinrichtingen , en ten andere de regeling der wetgevende en besturende machten." In het eerste zocht de commissie „de voorwaarden van een nationalen Staat, het beginsel van leven en wasdom; in het tweede de voorwaarden eener goede regeering, het beginsel van orde."

Wij zullen in den loop van onzen arbeid hier en daar de gelegenheid vinden, om de voornaamste wijzigingen, welke de Grondwet in 1848 heeft ondergaan, aan te toonen. Hier stippen wij dus slechts aan, dat zij bedoeld heeft aan den regeeringsvorm eene meer democratische richting te geven, d. i. een meer rechtstreekschen invloed van het volk op de regeering, hetgeen zij bereikt heeft door de uitbreiding van het kiesstelsel.

Behalve in deze uitbreiding van het kiesstelsel munt de Grondwet van 1848 boven de vorige staatsregelingen uit in de wijze waarop zij onderwerpen regelt, als het recht van vereenigingen vergadering, de vrijheid van drukpers, de staatszorg voor het onderwijs, enz. Voornamelijk echter is vooruitgang te bespeuren ten opzichte van de verhouding der vertegenwoordiging tot de regeering. Het recht van amendement, zooals wij boven aanteekenden, een noodzakelijk element van eene constitutioneele vertegenwoordiging, in nauw verband met het recht der leden van den Staat, om invloed uit te oefenen op de wetgeving, had zijn plaats in de Grondwet gevonden. De onschendbaarheid des Konings en de volledige ministeriëele verantwoordelijkheid, waarop zoo lang en zoo dikwijls te vergeefs aangedrongen was, waren erkend geworden. De verplichting den Ministers opgelegd om de dooide volksvertegenwoordiging van hen gevraagde inlichtingen te verstrekken leverde met het recht van enquête, toen nog maar alleen aan de Tweede Kamer toegekend, den noodigen waarborg om deze verantwoordelijkheid tot haar recht te doen komen; terwijl, als noodzakelijk uitvloeisel daarvan, de kroon het recht tot ontbinding der Staten-Generaal had verkregen.

Verder zou de begrooting in plaats van tweejaarlijksch te zijn, elk jaar worden vastgesteld, waardoor de financiëele controle zeer

Sluiten