Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdstip van de invoering van een nieuwe Grondwet kunnen niet plotseling alle wetten en alle organisaties, voor zoover noodig, worden herzien en gewijzigd. Om dien noodzakelijken overgang te te regelen zijn een reeks van overgangsbepalingen, de „ Additionnele artikelen" aan de Grondwet toegevoegd.

De eerste twee zijn hier vooral van belang, zij luiden:

Artikel I: „Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, tot dat zij door andere, volgens deze Grondwet zijn vervangen."

Artikel II: „Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtervolgens door andere worden vervangen."

Deze bepalingen zijn gelijkluidend met die van de Additionnele artikelen I en III der Grondwet van 1848. Het toenmalige tweede artikel bepalende, dat de wet de schadevergoeding zou regelen, toe te kennen aan hen, die door of ten gevolge van de herziening der Grondwet betrekkingen verloren hun voor hun leven opgedragen, welk artikel meer in het bijzonder ten behoeve van de leden der vroegere Eerste Kamer was opgesteld l), is nooit tot uitvoering gekomen en in 1887 niet weder hernieuwd.

Art. III is wederom gelijk aan het vierde der „ Additionnele artikelen van 1848", waarbij met éen pennestreek een einde gemaakt werd aan zoodanige heerlijke rechten, die de bevoegdheid inhielden tot het doen van voordrachten of benoemingen van personen tot openbare betrekkingen, b. v. van schouten, burgemeesters, secretarissen. Reeds de staatsregeling van 1798 had aan al die heerlijke rechten een einde gemaakt 2). Na de herstelling van Nederland in 1813 haastte de Regeering zich eene bepaling af te schaffen, welke te zeer aan de omwenteling van 1795 herinnerde, en eenenmiddelweg te kiezen tusschen eenen algeheelen terugkeer en de handhaving van eenen toestand, die eigenlijk in overeenstemming was met de nieuwere opvatting van het staatsgezag s). In 1848 verliet men dien weg, en verklaarde de heerlijke rechten opgeheven. De

1) Mr. J. T. Buys, t. a. p. blz. 828.

2) Zie art. XXIV.

3) Zie o.a. K. B. 26 Maart 1814 (Stbl. n°. 46), dat aan de heerlijkheden de voordracht van schouten, secretarissen en bestuurderen van gemeenten of polders gaf, terwijl het recht van de eigenaren der heerlijkheden van boioeming tot kleinere gemeentelijke bedieningen erkend werd.

Sluiten