Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de wijziging van het artikel en verdient eenigszins nader te worden toegelicht. Bij het tractaat toch van 19 April 1839, waarbij de afscheiding van België erkend werd, was een gedeelte van Luxemburg aan dat rijk toebedeeld, en aan de betrekking met den Duitschen Bond onttrokken. Deze zocht dus elders vergoeding voor dat verlies, welke gevonden werd in Limburg, waarvan het gedeelte, dat beoosten de Maas ligt, bij het bovengenoemde tractaat aan den Koning der Nederlanden afgestaan was, om er als hertog over te regeeren, of wel om het te vereenigen met het tot de oude grenzen ingekrompen Nederland. Hetgeen bewesten den Maasstroom ligt werd dadelijk als tot Nederland behoorende beschouwd. Wel verklaarde willem I het hem toegedachte gedeelte met Noord-Nederland te vereenigen, maar den KW™ Aug. 1839 trad hij met geheel Limburg, met uitzondering van Maastricht en Venlo, tot den Duitschen Bond toe. Toch behoorde Limburg tot het grondgebied van Nederland. Het voorbehoud echter, te zijnen aanzien uitdrukkelijk in de Grondwet vermeld, bracht eenige verplichtingen mede, welke dikwijls tot moeilijkheden aanleiding gaven, en meermalen de wenschelijkheid deden uitspreken eener losmaking van dien band.

In de zitting van den Duitschen Bond van den 24ste" Mei 1866 werd door den Nederlandschen gezant het voorstel gedaan om het besluit van den 5<ien Sept. 1839, betreffende de opneming van Limburg in den Duitschen Bond, in te trekken, en de uittreding van Limburg goed te keuren. Kort daarna, den 14den Juni 1866, verklaarde Pruisen de Bondsakte verbroken en niet bestaande, terwijl het tegelijk een nieuwen Bond voorstelde, waarin Limburg niet begrepen was. Ook andere mogendheden volgden in zoover het voorbeeld van Pruisen door den voormaligen Bond opgeheven te verklaren. Sedert die gebeurtenis had dus de bepaling van art. 1 der GW. van 1848 ten opzichte van Limburg hare waarde verloren l). Bij de dientengevolge noodzakelijk geworden wijziging van het artikel, heeft men tevens de vroegere opsomming weggelaten. Hierdoor is meer overeenstemming gebracht tusschen het eerste en het derde artikel der Grondwet, welk laatste bepaalt, dat de wet provinciën en gemeenten kan vereenigen, splitsen en nieuwe kan vormen. Het

1) De naam hertogdom Limburg echter komt meii nog menigmaal in officieele stukken, zooals bijv. in openbare kennisgevingen, tegen.

Sluiten