Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als eerste en voornaamste criterium is door haar aangenomen de afstamming.

Volgens hare bepalingen is Nederlander het kind, waarvan diegene zijner ouders, tot wien het in burgerlijke betrekking M staat, tijdens de geboorte den staat van Nederlander bezit. <

Dientengevolge is Nederlander:

ln. (art. 1 sub a.) „het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit";

2°. (art. 1 sub b.) „het wettig kind van een Nederlander die binnen driehonderd dagen vóór de geboorte overleed" *);

3°. (art. 1 sub e.) „het alléén door de moeder erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit."

Hierbij valt op te merken, dat bij verschil van staat, die van den vader beslissend is.

Het geval kan zich namelijk voordoen, dat een natuurlijk kind door beide ouders erkend is, terwijl deze een verschillende nationaliteit bezitten. Uit de bepaling van art. 1 sub a in verband met die van art. 1 sub c blijkt, dat dan het kind den vader volgt.

De hiergenoemde bepalingen zijn nog uitgebreid tot het geval, dat diegene van de ouders tot wien het kind in burgerlijke betrekking staat, is ingezetene des Rijks uit eene in het Rijk wonende moeder

geboren:

Nederlander is ook

4°. (art. 2 sub a.) „het kind van een ingezetene des Rijks — hetzij vader, hetzij moeder, naar de in art. 1 gemaakte onderscheidingen — die zelf geboren is uit eene in het Rijk wonende moeder, tenzij blijke ilat het kind als vreemdeling tot een ander land behoort.

Er wordt in dit artikel gesproken van ingezetenen des Rijks, waaruit blijkt dat deze bepaling niet geldt voor kinderen, geboren uit vreemdelingen in onze overzeesche bezittingen gevestigd.

De laatste, door ons gecursiveerde, bijvoeging snijdt hier de mogelijkheid van dubbele nationaliteit af.

Voorts wordt nog bij geboorte of vermoedelijke geboorte hier te

1) Vgl. B. W. art. 335: Door het erkennen van een natuurlijk kind worden burgerlijke betrekkingen geboren tussclien dat kind en zijnen vader of zijne moeder.

2) Vgl. artt. 305 en 310 B. W.

Sluiten