Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lande het Nederlanderschap toegekend, indien geen burgerlijke band tusschen het kind en zijne ouders bestaat of bekend is.

Zoodat nog Nederlanders zijn :

5°. (art. 1 sub d.) het noch door den vader noch door de moeder erkend natuurlijk kind, in het Rijk geboren.

6°. (art. 2 sub b.) het in het Rijk te vondeling gelegd of verlaten kind, zoolang van zijne afstamming, hetzij als wettig of gewettigd kind, hetzij door erkenning, niet blijkt.

Het Nederlanderschap kan door een vreemdeling worden verkregen:

1°. door als vrouw te huwen met een Nederlander;

2°. door naturalisatie.

Wat het eerste geval betreft, is het een oude rechtsregel, dat de vrouw den staat van den man volgt, in de eerste zinsnede van artikel 5 aldus geformuleerd:

„De vrouw volgt staande huwelijk den staat van haren man."

Deze bepaling is, voorzoover het betreft de vreemdelinge, welke met een Nederlander gehuwd is, aangevuld door artikel 9, hetwelk bepaalt, dat zij ook na de ontbinding van het huwelijk den staat van Nederlander behoudt, tenzij zij binnen het jaar daarna aan den daartoe aangewezen ambtenaar haar afwijkenden wil te kennen geeft.

Voor naturalisatie '), welke overeenkomstig de bepaling der Grondwet slechts door eene wet verkregen wordt, is noodig meerderjarigheid in den zin der Nederlandsche wet2) en, voorzoover de verzoeker niet iemand is, die vroeger liet Nederlanderschap bezeten en opeen der later te bespreken wijzen verloren heeft, een verblijf gedurende de laatste vijf jaren in het Rijk of zijn koloniën. In overeenstemming met bovengenoemden regel kan geen verzoek tot naturalisatie gedaan worden door een gehuwde vrouw s).

Bij de aanvraag tot naturalisatie moeten de bewijzen, dat men aan de hier genoemde vereischten voldoet, worden overgelegd en bovendien een bewijs, dat men de voor de naturalisatie verschuldigde som van honderd gulden bij een ontvanger der registratie heeft gestort.

Voorts kan van den verzoeker nog een bewijs gevorderd worden, dat de wetgeving van het land, waartoe hij behoort, geen beletsel tegen zijn naturalisatie oplevert.

Behalve deze naturalisatie kent onze wet nog naturalisatie om

1) Art. 3 der wet. 2) Art. 385 B. W. 3) Art. 5 al. 2.

3

Sluiten