Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschieden ten aanzien van personen die geene genoegzame middelen van bestaan hebben, nadat zij hier toegelaten zijn geworden. In dat geval is het de kantonrechter, die hunne uitzetting bij gemotiveerd vonnis uitspreekt '). Zij, die gevaarlijk geacht worden voor de publieke rust, worden op bevel des Konings uitgezet '), ook kan het verblijf in aangewezen gedeelten des lands hun worden ontzegd. Onder de benaming van de algemeene rust wordt niet alleen begrepen de binnenlandsche rust, maar ook de goede verstandhouding met naburige Rijken. De wet kan niet bedoelen, dat ons vaderland het middelpunt worde van personen, die van hier uit de regeering van hun eigen land beleedigen of belasteren, of aanslagen beramen tot omwerping van het elders bestaand gezag. De regeering moet zich de bevoegdheid voorbehouden, aan de zoodanigen het verblijf in ons vaderland te ontzeggen, onder de noodige waarborgen, dat zij niet toegeeft aan willekeur of aan een onwettigen drang van de beleedigde mogendheid. Het daartoe strekkende bevelschrift wordt daarom door een verantwoordelijken minister gecontrasigneerd, terwijl daarvan mededeeling wordt gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodat genoegzaam gewaakt wordt tegen onwettige handelingen der regeering.

Zij, op wie de uitzetting wordt toegepast, en die zich op hun Nederlanderschap beroepen of op het feit, dat zij binnen het Rijk gevestigd met een Nederlandsche vrouw gehuwd of gehuwd geweest zijn en bij haar een of meer kinderen hebben, kunnen recht zoeken bij den Hoogen Raad 2).

1) Zie ook art. 197 W. v. S. R. Een vreemdeling, die in strijd met 's Konings last of 's rechters bevel, ter uitvoering van de wet gegeven binnen het Rijk in Europa terugkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden.

2) Volgens de op bladz. 36 vermelde overgangsbepaling der wet op het Nederlanderschap blijft de gelijkstelling met Nederlanders in dit opzicht gehandhaafd voor hen, die op het tijdstip van liet in werking treden der wet van 1892, voldaan hadden aan artikel 8 van het Burgerlijk Wetboek.

Dientengevolge kunnen evenmin uitgezet worden vreemdelingen, die op dat tijdstip

1°. ten gevolge der toestemming van den Koning, hunne woonplaats binnen het Koningrijk (hadden) gevestigd, en van het bekomen dier toestemming aan het gemeentebestuur dier woonplaats (hadden) doen blijken;

2°. na hunne woonplaats binnen eene gemeente in het Koningrijk te hebben gevestigd, en gedurende zes jaren binnen dezelfde gemeente te

Sluiten