Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat. uitlevering wegens politieke redenen niet geoorloofd is. Verder mag geene uitlevering toegestaan worden, zoolang de vreemdeling wegens het buiten het Rijk gepleegde misdrijf hier te lande wordt vervolgd, of wanneer hij deswege heeft terecht gestaan, en of veroordeeld of vrijgesproken is; en in de tweede plaats, wanneer de vervolging of de opgelegde straf, volgens onze wetgeving is verjaard.

Eindelijk wordt geene uitlevering toegestaan dan onder voorwaarde, dat de uitgeleverde niet mag worden vervolgd of gestraft ter zake van het een of ander misdrijf, dat niet genoemd is in het tractaat, dan nadat hij, na zijne uitlevering, ééne maand de vrijheid heeft gehad om het land weder te verlaten. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg; de verantwoordelijkheid voor den last tot uitlevering rust op den minister van Justitie terwijl een vreemdeling, omtrent wien men verwacht dat zijne uitlevering zal worden aangevraagd, voorloopig in hechtenis kan worden genomen. Ook merken wij hier nog op, dat geene uitlevering mag toegestaan worden dan na verhoor der rechtbank onder welker ressort de opgeëischte persoon is aangehouden of zich bevindt, en dat hij, die beweert Nederlander te zijn >) weshalve de wet niet op hem van toepassing zou zijn, de beslissing van den Hoogen Raad kan inroepen.

Bij de grondwetsherziening van 1887 is de wenschelijkheid ter sprake gekomen in sommige gevallen ook de uitlevering van Nederlanders mogelijk te maken. Door onjuiste formuleering van een amendement is evenwel geen zuivere stemming over dit beginsel uitgelokt. De meerderheid wilde niet, dat de wet algemeene voorwaarden zou stellen, waaronder verdragen ook over uitlevering van Nederlanders zouden kunnen gesloten worden en dit toch zou dooide Grondwet geëischt zijn geworden, indien overeenkomstig het voorgestelde amendement het woord hunne voor uitlevering ware weggelaten. Misschien zou wel een meerderheid gevonden zijn, indien alleen de mogelijkheid tot een dergelijke regeling in 't leven ware geroepen doch de beslissing daarover aan den gewonen wetgever ware overgelaten.

1) Art. 22, gewijzigd bij al. 2 van de Slotbepaling der wet van 12 Dec. 1892 (Stbl. n°. 268): Als Nederlanders beschouwt deae wet hen. die het zijn volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren.

Sluiten