Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te ontnemen, d. i. hem in zijne vrijheid te belemmeren, alvorens de zaak onderzocht, en de schuld uitgesproken is.

Art. 157 der Grondwet geeft echter de noodige waarborg tegen misbruik dezer bevoegdheid: „ Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend «) worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord."

Het is het Wetboek van Strafvordering — d. i. het wetboek, hetwelk de wijze van vervolging en procedeeren in zake van overtreding der wet voorschrijft — dat aan dit grondwetsartikel uitvoering geeft.

Hierin is bepaald, dat slechts bij betrapping op heeterdaad onmiddellijke inhechtenisneming geoorloofd is. Overigens geldt de regel, dat een rechterlijk bevel vooraf moet gaan.

Artikel 86 van het genoemde Wetboek geeft in het algemeen de gevallen aan, waarin de rechter een dergelijk bevel zal kunnen geven. Zooals uit dat artikel blijkt mag dit alleen geschieden in geval van verdenking van meer belangrijke strafbare feiten 2) en dan nog „alleen op grond hetzij van gegronde vrees voor vlugt van den verdachte, hetzij van eenige andere gewigtige redenen van maatschappelijke veiligheid" s).

In de practijk, zoo zegt Mr. J. T. Buys <), komt het meermalen voor, dat ook waar betrapping op heeterdaad niet aanwezig is, de omstandigheden eischen, „ dat omtrent de gevangenneming dadelijk worde beslist, zoodat een rechterlijk bevel, 't welk in Raadkamer moet worden opgemaakt, onmogelijk kan worden af-

1) Beteekend, d. w. z. het bevel moet worden overhandigd door een daartoe bevoegd dienaar der openbare macht (deurwaarder, rijksveldwachter), die bij proces-vei'baal op zijn ambtseed opgemaakt moet constateeren. dat de afgifte naar beliooren is geschied.

2) Misdrijven, waartegen als maximum een gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, verduistering, oplichting, enkele scheepvaartmisdrijven, heling en de tot de overtredingen behoorende strafbare feiten: bedelarij en landlooperij.

3) Zie overigens o. a. de artt. 68 , 79 , 80 , 81, 98, 104, 105, 139, 175, 196 en 227 van het Wetboek van Strafvordering.

4i t. a. p. II bladz. 387.

Sluiten