Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordigen tijd, hoewel nog niet algemeen, toch daarheen, dat aan niemand, die niet door onwaardigheid daarvan moet worden uitgesloten, het recht worde onthouden tot de verkiezing van die Vertegenwoordiging mede te werken en aldus invloed uit te oefenen op de richting, waarin het schip van Staat zal worden gestuurd.

Terwijl wij het passieve kiesrecht later zullen behandelen, wijden wij thans een korte bespreking aan het actieve kiesrecht (ook kortweg aangeduid door het woord kiesrecht zonder bijvoeging van actief), zooals zich dit tot op heden heeft ontwikkeld.

Vóór 1848 was een stelsel van verkiezing van kracht, waarbij de Vertegenwoordiging in het algemeen niet rechtstreeks maar middellijk werd gekozen. Men deinsde terug voor eene meer zuivere toepassing van het kiesrecht uit vrees voor eene al te democratische richting. De Grondwetgever van 1814 en 1815 kon zich nog niet losmaken van de herinneringen aan den aristocratischen regeeringsvorm der voormalige Republiek. Ook de Grondwet van 1840 huldigde hetzelfde beginsel. De algemeene landsvertegenwoordiging was eigenlijk eene vertegenwoordiging der provinciën, niettegenstaande ook toen reeds van de Staten-Generaal gezegd werd, dat zij het geheele Nederlandsche volk vertegenwoordigden. Iedere provincie leverde haar contingent.

De regeling van het kiesrecht kwam in hoofdzaak hierop neder. De provinciale Staten waren de kiezers voor de leden der Tweede Kamer, terwijl die der Eerste Kamer door den Koning werden benoemd. De provinciale Staten waren samengesteld uit leden, gekozen door den stand der edelen of ridderschappen, door de steden en door den landelijken stand. Voor zoover zij de steden vertegenwoordigden, werden zij door de stedelijke raden benoemd; voor zooverre zij den landelijken stand vertegenwoordigden, door kiezers in districten gekozen, welke kiezers op hunne beurt gekozen werden door stemgerechtigden in die districten. Eindelijk werd de plaats van de ridderschap ingenomen door afgevaardigden uit de ridderschap, een bij de Grondwetten van 1815 en 1840 nog erkenden stand. De stedelijke besturen werden gekozen door kiezers-collegiën, waarvan de leden alweder door stemgerechtigde kiezers werden benoemd, terwijl die van het platteland benoemd werden door de provinciale Staten. Men noemde deze regeling van het kiesrecht de trapsgewijze verkiezingen.

Het kiesstelsel in het algemeen, hetzij het rechtstreeks of traps-

Sluiten